Verbintenissen onder voorwaarde (art. 3:38 jo 6:21 e.v. BW)

Een voorwaarde is een toekomstige onzekere gebeurtenis.

Art. 3:38 lid 1 BW schept de mogelijkheid om een voorwaarde te verbinden aan een rechtshandeling. Het verschil tussen opschortende en ontbindende voorwaarden staat in art. 6:22 BW.

Opschortende voorwaarde: de verbintenis sluimert; heeft geen werking. Nakoming kan niet worden gevorderd.

Ontbindende voorwaarde: de verbintenis heeft (normaal) werking, maar indien de voorwaarde wordt vervuld, vervalt de verbintenis zonder terugwerkende kracht (art. 3:38 lid 2 BW).

Art. 3:38 BW:

1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit, kan een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde worden verricht.

2. De vervulling van een voorwaarde heeft geen terugwerkende kracht.

Art. 6:22 BW:

Een opschortende voorwaarde doet de werking der verbintenis eerst met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.

Indien een ontbindende voorwaarde in vervulling is gegaan, ontstaat uit de wet (art. 6:24 BW) een ongedaanmakingsverbintenis.

Art. 6:24 BW:

1. Nadat een ontbindende voorwaarde is vervuld, is de schuldeiser verplicht de reeds verrichte prestaties ongedaan te maken, tenzij uit de inhoud of strekking van de rechtshandeling anders voortvloeit.

2. Strekt de verplichting tot ongedaanmaking tot teruggave van een goed, dan komen de na de vervulling van de voorwaarde afgescheiden natuurlijke of opeisbaar geworden burgerlijke vruchten aan de schuldenaar toe en zijn de artikelen 120-124 van Boek 3 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot hetgeen daarin is bepaald omtrent de vergoeding van kosten en van schade, voor zover die kosten en die schade na de vervulling zijn ontstaan.