Nietigheid en vernietigbaarheid: het verschil

Bij het stelsel van nietigheden (die soms in oudere literatuur als “nulliteiten” worden aangeduid) moet goed worden onderscheiden:

  1. Nietigheid
  2. Vernietigbaarheid

Nietigheid

Een nietige rechtshandeling is juridisch van nul en generlei waarde en heeft geen enkel effect. De rechtshandeling is ‘non-existent’. De rechtshandeling wordt geacht niet te bestaan, en evenmin ooit bestaan te hebben.

In beginsel kan een ieder dan ook een beroep doen op die nietigheid. Nietigheid heeft dus absolute werking (ten opzichte van een ieder).

Voorbeelden van nietigheid:

  • De aanwezigheid van een discrepantie bij de primaire grondslag van een rechtshandeling (art. 3:33 BW).
Art. 3:33 BW:

Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
  • Strijd met een vormvoorschrift (art. 3:39 BW).
Art. 3:39 BW:

Tenzij uit de wet anders voortvloeit, zijn rechtshandelingen die niet in de voorgeschreven vorm zijn verricht, nietig.
  • Strijd met de goede zeden of de openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW).
Art. 3:40 lid 1 BW:

Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig.
  • Handelingsonbevoegdheid (art. 3:43 BW).
Art. 3:43 BW:

1. Rechtshandelingen die, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomende personen, strekken tot verkrijging door:

a. rechters, leden van het openbaar ministerie, gerechtsauditeurs, griffiers, advocaten, deurwaarders en notarissen van goederen waarover een geding aanhangig is voor het gerecht, onder welks rechtsgebied zij hun bediening uitoefenen;

b. ambtenaren, van goederen die door hen of te hunnen overstaan worden verkocht, of

c. personen met openbaar gezag bekleed, van goederen die toebehoren aan het Rijk, provincies, gemeenten of andere openbare instellingen en aan hun beheer zijn toevertrouwd,

zijn nietig en verplichten de verkrijgers tot schadevergoeding.

2. Lid 1 onder a heeft geen betrekking op uiterste wilsbeschikkingen, door een erflater ten voordele van zijn wettelijke erfgenamen gemaakt, noch op rechtshandelingen krachtens welke deze erfgenamen goederen der nalatenschap verkrijgen.

3. In het geval bedoeld in het eerste lid onder c is de rechtshandeling geldig, indien zij met Onze goedkeuring is geschied of het een verkoop in het openbaar betreft. Indien de rechtshandeling strekt tot verkrijging door een lid van de gemeenteraad of een wethouder, onderscheidenlijk de burgemeester komt de in de vorige zin bedoelde bevoegdheid tot goedkeuring toe aan gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de Commissaris van de Koning.
  • Eenzijdig-ongerichte rechtshandelingen ex art. 3:32 BW en 3:34 BW.
Art. 3:32 lid 2 BW:

Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.

Art. 3:34 lid 2 BW:

Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.

Vernietigbaarheid

Een vernietigbare rechtshandeling is geldig totdat hij wordt vernietigd. Na vernietiging wordt hij geacht nooit te hebben bestaan. Dat is de terugwerkende kracht van de vernietiging, die in art. 3:53 lid 1 BW is geregeld.

Art. 3:53 lid 1 BW:

De vernietiging werkt terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht.

In het algemeen kan slechts de beschermde een beroep doen op de vernietigbaarheid. Zie bijvoorbeeld art. 3:40 lid 2 BW.

Art. 3:40 lid 2 BW:

Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.

Verder werkt de vernietiging relatief: namelijk slechts ten opzichte van degene tegen wie men de vernietiging inroept.

Het is mogelijk om een vernietigbare rechtshandeling te bevestigen. Bevestiging is geregeld in art. 3:55 lid 1 BW. De rechtshandeling wordt daarmee onaantastbaar.

Art. 3:55 lid 1 BW:

De bevoegdheid om ter vernietiging van een rechtshandeling een beroep op een vernietigingsgrond te doen vervalt, wanneer hij aan wie deze bevoegdheid toekomt, de rechtshandeling heeft bevestigd, nadat de verjaringstermijn ter zake van de rechtsvordering tot vernietiging op die grond een aanvang heeft genomen.

Verder kan een rechtshandeling bovendien ook onaantastbaar worden door het verstrijken van de verjaringstermijn voor het inroepen van vernietigbaarheid. Dat is geregeld in art. 3:55 lid 2.

Art. 3:55 lid 2 BW:

Eveneens vervalt de bevoegdheid om een beroep op een vernietigingsgrond te doen, wanneer een onmiddellijk belanghebbende na de aanvang van de verjaringstermijn aan hem aan wie deze bevoegdheid toekomt een redelijke termijn heeft gesteld om te kiezen tussen bevestiging en vernietiging en deze binnen deze termijn geen keuze heeft gedaan.

Voorbeelden van de vernietigbaarheid van rechtshandelingen zijn:

  • Rechtshandelingen van een onbekwame, voor zover die niet eenzijdig-ongericht zijn.
Art. 3:32 lid 2 BW:

Een rechtshandeling van een onbekwame is vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling van een onbekwame, die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, is echter nietig.
  • Discrepantie van wil en verklaring bij een geestelijk gestoorde, ook weer voor zover het niet gaat om een eenzijdig-ongerichte rechtshandeling.
Art. 3:34 lid 2 BW:

Een zodanig ontbreken van wil maakt een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, wordt door het ontbreken van wil echter nietig.
  • De actio Pauliana.
Art. 3:45 lid 1 BW:

Indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn, is de rechtshandeling vernietigbaar en kan de vernietigingsgrond worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.
  • Sommige gevallen van strijd met een dwingende wetsbepaling.
Art. 3:40 lid 2 BW:

Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit.