Verbintenissenrecht I
Verbintenissenrecht II
Goederenrecht

Imputatie van betalingen (art. 6:43 en 6:44 BW)

De wet geeft in art. 6:43 BW een regeling voor het geval dat een debiteur een prestatie verricht die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens dezelfde crediteur.

Voor de toerekening geldt de onderstaande volgorde:

  1. De toerekening vindt plaats op de verbintenis die de debiteur bij de betaling aanwijst.
    Indien zo’n aanwijzing ontbreekt:
  2. De toerekening geschiedt in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen.
    Indien er dan nog meer verbintenissen zijn waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden:
  3. De toerekening vindt plaats op de meest bezwarende verbintenis.
    Indien de verbintenissen even bezwarend zijn:
  4. De toerekening vindt plaats op de oudste verbintenis.
    Indien de verbintenissen even oud zijn:
  5. De toerekening geschiedt naar evenredigheid.
Art. 6:43 BW:

1. Verricht de schuldenaar een betaling die zou kunnen worden toegerekend op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser, dan geschiedt de toerekening op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst.

2. Bij gebreke van zodanige aanwijzing geschiedt de toerekening in de eerste plaats op de opeisbare verbintenissen. Zijn er ook dan nog meer verbintenissen waarop de toerekening zou kunnen plaatsvinden, dan geschiedt deze in de eerste plaats op de meest bezwarende en zijn de verbintenissen even bezwarend, op de oudste. Zijn de verbintenissen bovendien even oud, dan geschiedt de toerekening naar evenredigheid.

Indien eenmaal vaststaat op welke verbintenis de betaling dient te worden toegerekend, dient vervolgens bij betaling van een geldsom de onderstaande volgorde te worden aangehouden (art. 6:44 lid 1 BW):

  1. De betaling strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten (NB: de kosten van de betaling; niet proceskosten, incassokosten en dergelijke);
  2. Vervolgens strekt de betaling in mindering van de reeds verschenen rente;
  3. Tenslotte strekt de betaling in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.
Art. 6:44 lid 1 BW:

Betaling van een op een bepaalde verbintenis toe te rekenen geldsom strekt in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens in mindering van de verschenen rente en ten slotte in mindering van de hoofdsom en de lopende rente.

Indien de debiteur een andere volgorde voor de toerekening aanwijst, is de crediteur bevoegd het aanbod tot betaling te weigeren zonder dat daarbij schuldeisersverzuim ontstaat (art. 6:44 lid 2 BW).

Art. 6:44 lid 2 BW:

De schuldeiser kan, zonder daardoor in verzuim te komen, een aanbod tot betaling weigeren, indien de schuldenaar een andere volgorde voor de toerekening aanwijst.

Voorts is de crediteur bevoegd de volledige betaling van de hoofdsom te weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede de kosten wordt voldaan.

Art. 6:44 lid 3 BW:

De schuldeiser kan volledige aflossing van de hoofdsom weigeren, indien daarbij niet tevens de verschenen en lopende rente alsmede de kosten worden voldaan.