Derogerende werking van redelijkheid en billijkheid (6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW)

Art. 6:248 BW:

1. Een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.

2. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Op grond van art. 6:248 lid 2 is uitgangspunt:

Een tussen partijen geldende regel als gevolg van een overeenkomst (zie lid 1) blijft (incidenteel) buiten toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn: de zgn. derogerende werking van redelijkheid en billijkheid.

NB: bij het vaststellen van wat redelijkheid en billijkheid eisen, wordt steeds aansluiting gezocht bij art. 3:12 BW.

Art. 3:12 BW:

Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.

In art. 6:2 BW vindt men bovenstaande regeling in algemene termen weergegeven voor alle situaties waarin crediteur en debiteur tegenover elkaar staan. Dus ook buiten overeenkomst. Art. 6:248 BW ziet specifiek op de overeenkomst. Omdat art. 6:2 BW alle situaties regelt (waaronder dus ook de overeenkomst), terwijl art. 6:248 BW een soortgelijke regeling kent maar dan specifiek voor de overeenkomst, staat er in zoverre dus een doublure in de wet.

Art. 6:2 BW:

1. Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

2. Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
In art. 6:248 lid 2 is de zgn. "beperkende of derogerende werking" van de redelijkheid en billijkheid neergelegd. Ook hier dringt zich de gelijkenis op met art. 6:2 (lid 2): een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voorzover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Omdat - los van het feit dat art. 6:248 is beperkt tot de overeenkomst - er verder geen verschillen zijn met betrekking tot de werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid in de artikelen 6:2 en 6:248, kan hier worden volstaan met een verwijzing naar § 3.6.

Een bijzondere uitwerking van het beginsel van redelijkheid en billijkheid vindt men in art. 6:258 BW: de regeling van onvoorziene omstandigheden (ook wel: imprévision).

Art. 6:258 BW:

1. De rechter kan op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan de wijziging of ontbinding kan terugwerkende kracht worden verleend.

2. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept.

3. Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk.

Redelijkheid en billijkheid vs. goede trouw

Het begrippenpaar “redelijkheid en billijkheid” wordt in het BW gebruikt voor de verhouding tussen debiteur en crediteur. In het oude BW van voor 1992 (maar soms nu ook nog) gebruikt men voor deze verhouding ook wel de term “goede trouw”. Daarnaast gebruikt de wetgever de term “redelijkerwijs” ook wel in de betekenis van de goede trouw (het weten/behoren te weten). Wanneer je deze termen tegenkomt, dien je daarop bedacht te zijn, en je steeds af te vragen: wordt nu de redelijkheid en billijkheid van art. 6:248 en 6:2 jo 3:12 BW bedoeld, of wordt de goede trouw van art. 3:11 bedoeld (het weten/behoren te weten)?

Behalve in enkele algemene leerstukken van het vermogensrecht (bijv. art. 3:35 BW) speelt de goede trouw van art. 3:11 BW voornamelijk een rol in het goederenrecht. De redelijkheid en billijkheid is daarentegen een verbintenisrechtelijk begrip.