Buitengerechtelijke vernietiging vs. via de rechter (3:49 BW)

Vernietiging kan op twee manieren:

  1. buitengerechtelijke verklaring
  2. tussenkomst van de rechter.

Dat volgt uit art. 3:49 BW.

Art. 3:49 BW:

Een vernietigbare rechtshandeling wordt vernietigd hetzij door een buitengerechtelijke verklaring, hetzij door een rechterlijke uitspraak.

Buitengerechtelijke verklaring

Vernietiging met een buitengerechtelijke verklaring is verder uitgewerkt in art. 3:50 BW.

Art. 3:50 BW:

1. Een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, wordt door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

2. Een buitengerechtelijke verklaring kan een rechtshandeling met betrekking tot een registergoed die heeft geleid tot een inschrijving in de openbare registers of tot een tot levering van een registergoed, bestemde akte, slechts vernietigen indien alle partijen in de vernietiging berusten.

Let vooral ook op de bijzondere regeling in lid 2 met betrekking tot registergoederen!

De buitengerechtelijke verklaring is vormvrij omdat de hoofdregel van art. 3:37 lid 1 BW gewoon van toepassing is. Er wordt immers nergens, noch in art. 3:49 BW, noch in art. 3:50 BW, een uitzondering op die hoofdregel gemaakt.

Art. 3:37 lid 1 BW:

Tenzij anders is bepaald, kunnen verklaringen, met inbegrip van mededelingen, in iedere vorm geschieden, en kunnen zij in een of meer gedragingen besloten liggen.

Tussenkomst van de rechter

Vernietiging via de rechter is geregeld in art. 3:51 BW. Het gebeurt ofwel met een actie tot vernietiging (dus door het te vorderen; art. 3:51 lid 2 BW), ofwel met vernietiging bij wege van verweer (dus door je erop te beroepen als je je verweert; art. 3:51 lid 3 BW).

Art. 3:51 BW:

1. Een rechterlijke uitspraak vernietigt een rechtshandeling, doordat zij een beroep in rechte op een vernietigingsgrond aanvaardt.

2. Een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

3. Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen.

Let op: de rechtsvordering tot vernietiging verjaart na 3 jaar. Dat is geregeld in art. 3:52 BW. Daar staat ook steeds per onderdeel het tijdstip waarop de verjaring begint.

Art. 3:52 BW:

1. Rechtsvorderingen tot vernietiging van een rechtshandeling verjaren:

a. in geval van onbekwaamheid: drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd, of, indien de onbekwame een wettelijke vertegenwoordiger heeft, drie jaren nadat de handeling ter kennis van de wettelijke vertegenwoordiger is gekomen;

b. in geval van bedreiging of misbruik van omstandigheden: drie jaren nadat deze invloed heeft opgehouden te werken;

c. in geval van bedrog, dwaling of benadeling: drie jaren nadat het bedrog, de dwaling of de benadeling is ontdekt;

d. in geval van een andere vernietigingsgrond: drie jaren nadat de bevoegdheid om deze vernietigingsgrond in te roepen, aan degene aan wie deze bevoegdheid toekomt, ten dienste is komen te staan.

2. Na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging van de rechtshandeling kan deze niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring worden vernietigd.

Deze verjaring leidt ertoe dat ook een buitengerechtelijke vernietiging op dezelfde grond niet meer mogelijk is (dat staat in art. 3:52 lid 2 BW).. Krachtens art. 3:51 lid 3 BW kan echter ook ná verjaring een beroep worden gedaan op een vernietigingsgrond ter afwering.

Art. 3:51 lid 3 BW:

Een beroep in rechte op een vernietigingsgrond kan te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Hij die dit beroep doet, is verplicht om zo spoedig mogelijk daarvan mededeling te doen aan de partijen bij de rechtshandeling die niet in het geding zijn verschenen.