Bronnen van verbintenissen

Art. 6:1 BW: alle verbintenissen vloeien voort uit de wet (dat wil zeggen: zijn op enigerlei wijze terug te voeren op de wet; direct of indirect).

Te onderscheiden:

  1. de wet als rechtstreekse bron van verbintenissen
  2. de wet verwijst naar de bron waaruit verbintenissen kunnen ontstaan
  3. analogische uitbreiding binnen het stelsel van de wet

Ad 1, de wet is de bron:

De wet is de bron van verbintenissen bij onder meer:

  • schadevergoedingsverbintenissen uit o.a. tekortkoming, onrechtmatige daad, zaakwaarneming, ongerechtvaardigde verrijking (naast andere mogelijke rechtsgevolgen)
  • ongedaanmakingsverbintenissen uit ontbinding bij een ontbindende voorwaarde of als gevolg van tekortkoming, of uit onverschuldigde betaling
  • gevallen van regresrecht

Ad 2, de wet verwijst naar de bron:

De wet verwijst naar de bron van verbintenissen bij onder meer:

  • wilsverklaring bij rechtshandeling (overeenkomst)
  • gewoonte
  • ongeschreven regels zoals van redelijkheid en billijkheid
  • rechterlijke uitspraak (zoals bij dwangsom; wijziging bij onvoorziene omstandigheden)

Ad 3, analogie:

Hoewel dat niet letterlijk uit art. 6:1 BW of elders uit de wet voortvloeit, kan een verbintenis eveneens ontstaan indien dit “past in het stelsel van de wet en aansluit bij de in de wet geregelde gevallen” (zo wordt het vermeld in jurisprudentie en in de MvA GO boek 6).

Het is nog de vraag of uit louter redelijkheid en billijkheid verbintenissen kunnen ontstaan. In het algemeen wordt aangenomen van niet. Sommigen menen dat in het arrest Plas/Valburg hiervoor een aanknopingspunt kan worden gevonden (verbintenissen in de precontractuele fase). Anderen baseren de in dat arrest toegewezen vordering op het leerstuk van de onrechtmatige daad.