Molenbeek/Begeer cs (arrest 13 september 2013)

HR 13 september 2013, NJ 2014, 455HR 13 september 2013, NJ 2014, 455

ECLI:NL:HR:2013:BZ9958

Dit arrest Molenbeek/Begeer c.s. (vaak informeel aangeduid als “het arrest van 13 september 2013“) betreft een prejudiciële beslissing op de voet van art. 392 Rv.

Het belang van dit arrest is vooral daarin gelegen, dat daar werd besloten dat de art. 730 jo 843a Rv (de exhibitieplicht) voldoende grondslag bieden voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag, ook in niet-IE-zaken.

Nergens in de wettekst van art. 730 en 843a Rv staat immers letterlijk dat het daarbij (mede) conservatoir bewijsbeslag zou kunnen betreffen. Neem bijvoorbeeld art. 843a lid 1 Rv, waar de exhibitieplicht min of meer wordt ‘gedefinieerd’:

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

Wij lezen hier nergens iets over conservatoir bewijsbeslag. Art. 1019 t/m 1019c Rv bevat wél een aparte regeling over conservatoir bewijsbeslag, maar dan specifiek in IE-zaken. De Hoge Raad heeft in dit arrest Molenbeek/Begeer c.s. bepaald dat conservatoir bewijsbeslag in niet-IE-zaken mag gebeuren op de voet van art. 730 jo 843a Rv.

Een aantal van de beschermingsbepalingen bij het leggen van bewijsbeslag in IE-zaken wordt daarbij van overeenkomstige toepassing verklaard bij het leggen van bewijsbeslag ex art. 730 jo 843a Rv (de exhibitieplicht) in niet-IE-zaken. Het gaat daarbij o.m. om het waarborgen van de privacy.

Het gaat daarbij om art. 1019a lid 1 en 3 Rv, art. 1019b lid 3 en 4 Rv, en art. 1019c Rv. Die artikelen zijn – voor zover nodig – van overeenkomstige toepassing.

Dit alles volgt vooral uit rov. 3.6.1:

Mede gelet op het vorenoverwogene moet worden aangenomen dat de art. 730 en 843a Rv voldoende grondslag bieden voor het leggen van een bewijsbeslag ook in niet-IE-zaken; de art. 1019a leden 1 en 3, 1019b leden 3 en 4en 1019c Rv zijn, voor zover nodig, overeenkomstig van toepassing. Dit betekent dat de beslaglegging slechts kan plaatsvinden onder de in art. 843a Rv gestelde voorwaarden en dus ook dat zij slechts betrekking kan hebben op ‘bescheiden’ in de zin van die bepaling (waaronder overigens mede digitale bestanden kunnen worden begrepen, met dien verstande dat de mogelijkheid bestaat dat daarvan onder toezicht van de deurwaarder ter plaatse kopieën worden gemaakt, die dan in beslag worden genomen). Zij kan, indien noodzakelijk, tevens de voorwerpen betreffen waarin, of de gegevensdragers waarop deze bescheiden zich bevinden.

Hieronder plaatsen we de artikelen die van overeenkomstige toepassing zijn bij conservatoir beslag in niet-IE-zaken. Daarmee wordt duidelijk dat het vooral gaat om een aantal beschermingsmechanismen, waaronder bescherming van de privacy.

Art. 1019a lid 1 Rv:

Een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a.

Art. 1019a lid 3 Rv:

De rechter wijst de vordering af voor zover de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd. Artikel 843a, vierde lid, is niet van toepassing.

Art. 1019b lid 3 Rv:

Deze maatregelen worden genomen zo nodig zonder dat de wederpartij wordt gehoord, met name indien het aannemelijk is dat uitstel de verzoeker onherstelbare schade zal berokkenen, of indien er een aantoonbaar gevaar voor verduistering of verlies van bewijs bestaat.

Art. 1019b lid 4 Rv:

Verlof tot het treffen van de gevraagde maatregel wordt niet gegeven voor zover de bescherming van vertrouwelijke informatie niet is gewaarborgd.

Art. 1019c Rv:

Lid 1:

Conservatoir beslag tot bescherming van bewijs wordt gelegd met overeenkomstige toepassing van de voorschriften betreffende middelen tot bewaring van zijn recht, met uitzondering van artikel 709, derde lid.

Lid 2:

Zodra in de hoofdzaak is beslist en deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, vervalt het beslag van rechtswege. Zijn de beslagen zaken in gerechtelijke bewaring gegeven, dan is de bewaarder verplicht tot afgifte daarvan aan de beslagene, tenzij de rechter op vordering van eiser anders heeft bepaald. De rechter kan op verzoek van partijen of ambtshalve nadere aanwijzingen geven.

Deel dit arrest

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print