ABP/Winterthur

HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527 (ABP/Winterthur)

ECLI:NL:HR:1992:ZC0616

Wanneer overmacht bij 185 WVW?

Stel, een gemotoriseerde weggebruiker rijdt een niet-gemotoriseerde weggebruiker zoals een voetganger aan. Art. 185 lid 1 WVW laat aan het slot de mogelijkheid open voor een beroep op overmacht door de bestuurder. Maar wanneer kan de bestuurder dan een beroep doen op overmacht?

Deze vraag is door de Hoge Raad beantwoord in het arrest ABP/Winterthur (HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527; ECLI:NL:HR:1992:ZC0616). Het blijkt dat aan de bestuurder slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep op overmacht toekomt, namelijk:

  • indien de bestuurder foutloos heeft gereden, of de fout was niet relevant voor het ongeval (afwezigheid van ieder schuldverwijt), of
  • indien de fouten van het slachtoffer zo onwaarschijnlijk waren dat de bestuurder daarmee geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van het eigen weggedrag.

Deze vraag naar overmacht speelt zich af in de sfeer van de vestigingsfase van de onrechtmatige daad. De vraag of er sprake is van overmacht, is relevant voor het ‘vestigen’ van de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens een toerekenbare onrechtmatige daad.

Deel dit arrest

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print