Billijkheidscorrectie 185 WVW

De billijkheidscorrectie bij aansprakelijkheid ex art. 185 WVW (een aanrijding tussen een sterke en zwakke verkeersdeelnemer) hangt samen met het leerstuk van eigen schuld.

Het leerstuk van eigen schuld is wettelijk geregeld in art. 6:101 BW. Voor ons doeleind is nu met name lid 1 relevant:

Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Het uitgangspunt van het leerstuk van eigen schuld zoals geregeld in art. 6:101 BW is dat het slachtoffer, indien en voor zover diens eigen handelen mede causaal is geweest voor het ontstaan van de schade, in zoverre aanspraak heeft op een evenredig lagere schadevergoeding. Stel dat de onrechtmatige daad voor 80% is toe te rekenen aan het handelen van de dader, maar dat het slachtoffer daar zelf voor 20% aan heeft bijgedragen door bijvoorbeeld onvoorzichtig te zijn. Dan krijgt het slachtoffer dus in beginsel 80% van de schade vergoed en niet de volle 100% vanwege zijn eigen schuld.

Het slot 1 bevat de billijkheidscorrectie. Die houdt kortweg in dat de billijkheid, vanwege “de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval”, kan meebrengen dat er een andere verdeling wordt gemaakt dan het uitgangspunt van eigen schuld in art. 6:101 BW (zoals hierboven weergegeven) meebrengt. Er worden bij de invulling van de billijkheidscorrectie dus twee factoren meegewogen:

  1. de uiteenlopende ernst van gemaakte fouten;
  2. andere omstandigheden van het geval.

We gaan weer terug naar het hierboven gegeven voorbeeld waar het handelen van de dader voor 80% causaal is geweest voor de onrechtmatige daad, en waar het slachtoffer 20% eigen schuld had. In beginsel zou het slachtoffer dus 80% van zijn schade vergoed kunnen krijgen van de dader. Echter, de billijkheidscorrectie kan een andere verdeling meebrengen. Sterker nog, de billijkheidscorrectie kan meebrengen dat “de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft” (zoals in art. 6:101 lid 1 vermeld wordt).

Dat zou bijvoorbeeld kunnen inhouden dat de dader zichzelf in bijzondere omstandigheden heeft geplaatst waarvan maatschappelijk aanvaard wordt dat op hem daarmee een extra zware verantwoordelijkheid rust om zoveel mogelijk op fouten van anderen te anticiperen, ook als het ‘domme’ fouten zijn, omdat die ‘anderen’ als gevolg van die bijzondere omstandigheden van de dader (waar zij immers zelf op dat moment niet voor hebben gekozen) extra kwetsbaar zijn.

Dat klinkt abstract. Om het daarom zo concreet mogelijk te maken: die ‘bijzondere omstandigheden’ betreffen (onder meer) een auto. Gemotoriseerde weggebruikers kiezen er zelf voor om zich in een auto te verplaatsen. Een auto is inherent gevaarlijk voor anderen die zich niet-gemotoriseerd verplaatsen (zoals voetgangers en fietsers). Maatschappelijk wordt algemeen aanvaard dat daarom op een automobilist een extra zware verantwoordelijkheid rust om ‘ook voor anderen te denken’ en op fouten van niet-gemotoriseerde weggebruikers te anticiperen.

Dat houdt pas op op het moment dat er sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Een automobilist die buiten de bebouwde kom de toegestane maximumsnelheid rijdt, moet er niettemin rekening mee houden dat een fietser die hij passeert bij een kruispunt plotseling kan afslaan zonder richting aan te geven, en zou daarom snelheid moeten minderen uit voorzorg. Blijft hij de maximumsnelheid aanhouden, houdt hij zich weliswaar ‘naar de letter’ aan de regels maar treft hem evengoed een verwijt. Dat zou pas anders kunnen zijn als het gaat om opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Dit zal in de praktijk niet snel gehonoreerd worden (uitzonderingen daargelaten: bijvoorbeeld als er sprake is van een automobilist die belaagd wordt als hij een dreigende situatie ontvlucht; de vraag is echter of het dan niet reeds misgaat in de vestigingsfase bij het bepalen van de onrechtmatigheid van de daad).

De billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW (eigen schuld) met betrekking tot 185 WVW wordt in de jurisprudentie ingevuld met de 50%-regel en de 100%-regel.

Deel dit arrest

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print