Verschoningsrecht van getuigen

Het verschoningsrecht van getuigen is – voor wat betreft het burgerlijk procesrecht – geregeld in art. 165 lid 2 Rv.  Voordat wij ingaan op het verschoningsrecht, bespreken we eerst de basis, namelijk de verschijningsplicht van getuigen.

De verschijningsplicht van getuigen

In beginsel is iedereen die daartoe wordt opgeroepen, verplicht om te verschijnen en een verklaring af te leggen. Dat uitgangspunt staat helder en duidelijk in at. 165 lid 1 Rv:

Een ieder, daartoe op wettige wijze opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.

Met “op wettige wijze” wordt gewoon naar de regels verwezen van boek 1, titel 9, afdeling 4 BW, dus art. 163 t/m 185 Rv (onder het kopje “getuigen”). Daarbij zijn vooral de artikelen 170 t/m 172 Rv relevant. (Let wel: art. 173 Rv ziet niet op de wijze van oproepen van getuigen, maar op de vraag wat er moet gebeuren als de getuige, eenmaal op de zitting verschenen, weigert om te praten.)

Word je als getuige als getuige op wettige wijze opgeroepen, dan ben je dus in alle omstandigheden altijd verplicht om te verschijnen; wel of geen verschoningsrecht. Verschijn je niet, dan kan je desnoods door de politie worden opgehaald om alsnog te verschijnen. Dat staat in art. 172 Rv. Dat klinkt streng, maar verhoudingsgewijs valt de belasting vanuit het rechtssysteem in Nederland nog mee, als je bedenkt dat je in veel andere landen bovendien juryplichtig kunt zijn. Dergelijke verplichtingen kennen wij hier niet, dus zo beschouwd zijn de prestaties die er vanuit het rechtssysteem van burgers worden verlangd nog betrekkelijk mild. Bovendien kan je als getuige om een schadeloosstelling vragen (art. 182 Rv).

Het verschoningsrecht van getuigen: drie categorieën

Kan je je als getuige op het verschoningsrecht beroepen, dan hoef je – eenmaal verschenen op de zitting – geen vragen te beantwoorden. Er bestaat voor twee categorieën een verschoningsrecht:

  1. familieleden van een procespartij;
  2. personen met een functioneel verschoningsrecht (dat wil zeggen: die vanwege hun beroep verplicht zijn tot geheimhouding).

Verschonen bij zelfincriminatie (art. 165 lid 3 Rv)

Daarnaast bevat art. 165 lid 3 Rv een aparte regeling voor personen die het gevaar van strafvervolging lopen als zij bepaalde vragen beantwoorden:

De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.

Deze categorie is weliswaar wel verplicht om een getuigenverklaring af te leggen, maar komt er een vraag waarvan de getuige zichzelf met een eerlijk antwoord in feite schuldig zou verklaren aan een strafbaar feit, dan mag de getuige zich daarvan verschonen. Dat geldt ook voor het incrimineren van familieleden. Let er daarbij op dat de opsomming van familieleden in lid 3 iets ruimer is dan die van lid 2 sub a (zo doen derdegraads familieleden ook mee in lid 3).

In de praktijk kan dit overigens tot ingewikkelde situaties leiden. Stel bijv. dat een vraag aan een getuige luidt of hij op een bepaald moment tijdens het besturen van een auto onder invloed was. Is het antwoord nee, dan is dat duidelijk. Zou de getuige echter wél onder invloed hebben gereden, en beroept hij zich op art. 165 lid 3 Rv, dan is de kans niet denkbeeldig dat hij zichzelf daarmee de facto evengoed incrimineert. (Rechter: “Had u gedronken?” Getuige: “Ik wil die vraag liever niet beantwoorden omdat ik mijzelf daarmee aan het gevaar van strafrechtelijke vervolging blootstel.”)

Verschoningsrecht van familieleden (art. 165 lid 2 sub a Rv)

De familieleden worden genoemd in art. 165 lid 2 aanhef en sub a Rv:

Van deze verplichting kunnen zich verschonen:

(a) de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;

Deze opsomming is limitatief. Sta je er niet tussen, dan zal je dus moeten getuigen. Goed om te weten is nog dat lid 2 sub a eveneens van toepassing is tussen adoptiefouders en adoptiefkinderen, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsartikel.

Staat de getuige wel in de lijst, dan kan hij zich beroepen op zijn verschoningsrecht. Nogmaals: dat raakt niet aan zijn verschijningsplicht. Het blijft een wettig opgeroepen getuige die dus gewoon zal moeten verschijnen op de zitting. Eenmaal op de zitting, zal hij zich vervolgens echter met succes kunnen verschonen ex art. 165 lid 1 sub a Rv. In de praktijk zal het daarom weinig zinvol zijn om een dergelijke getuige toch naar de zitting te roepen, en is het in beginsel niet ondenkbaar dat de partij die de getuige oproept, wetende dat die zich zal verschonen, het verwijt kan krijgen dat hij het procesrecht op een oneigenlijke manier inzet (bijv. pestgedrag).

Het functioneel verschoningsrecht (art. 165 lid 2 sub b Rv)

Het functioneel verschoningsrecht ziet op getuigen die zich kunnen verschonen omdat zij uit hoofde van hun beroep een vertrouwenspositie hebben, en daarmee tot geheimhouding verplicht zijn. Dat staat in art. 165 lid 2 aanhef en sub b Rv:

Van deze verplichting kunnen zich verschonen:

(b) zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

Hun geheimhoudingsplicht kan uit de wet voortvloeien, maar dat hoeft niet. Zo is een advocaat geheimhouding verplicht ex art. 11a Advocatenwet, een notaris ex art. 22 Wna (Wet op het notarisambt), en een arts uit hoofde van art. 88 Wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Maar een priester bijvoorbeeld, is geheimhouding verplicht op grond van het canonieke recht, dat bij ons geen status van wet heeft (zo staat het biechtgeheim in canon 983 paragraaf 1 van de Codex Iuris Canonici 1983). Enigszins vergelijkbare regels gelden voor de imam, de rabbijn, en bijv. de bhikkhu (boeddhistische monnik).

De vier categorieën

Wie er onder de reikwijdte van art. 165 lid 2 sub b Rv vallen, wordt begrensd door vaste jurisprudentie. De lat ligt daarbij hoog. Er wordt ook wel gesproken van het ‘klassieke kwartet’:

  1. de advocaat,
  2. de notaris,
  3. de arts,
  4. de geestelijke.

In de onderstaande tabel vind je de relevante wetgeving per beroepsgroep nog eens op een rij.

advocaten

art. 11a Advocatenwet

notarissen

art. 22 Wna

artsen

art. 88 Wet BIG

geestelijken

eigen regels

Er bestaan voor deze vier categorieën wel de nodige nuanceringen in de jurisprudentie. Zo bestaat er jurisprudentie over het verschoningsrecht van een notaris indien in het kader van een strafrechtelijk onderzoek (art. 98 lid 2 jo 113 Sv) huiszoeking wordt gedaan om zaken in beslag te nemen. Voor wat betreft artsen geldt dat je strikt moet voldoen aan art. 88 Wet BIG. Een vertrouwensarts bijv., oefent geen beroep uit op het gebied van de individuele gezondheidsplicht, en valt daarmee niet onder het medisch beroepsgeheim. Een arts die strafbare feiten pleegt, kan zich volgens jurisprudentie in een civiele procedure niet op het verschoningsrecht beroepen jegens het slachtoffer. En zo worden er in de jurisprudentie wel meer uitzonderingen gemaakt. Verder is nog niet geheel uitgekristalliseerd of het verschoningsrecht in dezelfde mate geldt voor advocaten die in loondienst van hun opdrachtgever werken (Cohen-advocaten).

In alle gevallen is steeds het criterium: is jou iets toevertrouwd in jouw hoedanigheid van advocaat, notaris, arts, of geestelijke? In dat geval kan je je in zoverre op het verschoningsrecht beroepen. Een advocaat bijv., die wordt gevraagd om een getuigenverklaring over iets wat zijn cliënt hem heeft toevertrouwd over de inhoud van een bepaalde zaak, kan en mag daarover niet verklaren en zal zich dus met succes op art. 165 lid 2 sub b Rv kunnen beroepen.

Het verschoningsrecht is zelden zwart/wit. Dat geldt ook voor de vier categorieën (het ‘klassieke kwartet’). Daarnaast zijn er andere beroepsgroepen die tot op zekere hoogte eveneens een beroep kunnen doen op het functioneel verschoningsrecht. Hieronder wordt er een aantal genoemd (zonder de pretentie hiermee volledig te willen zijn; het gaat ons er nu alleen om om een globaal beeld te schetsen).

Verschoningsrecht van reclasseringsambtenaar

Ook een reclasseringsambtenaar kan zich tot op vrij grote hoogte beroepen op het verschoningsrecht (NJ 20-6-1968, NJ 1968, 332, ECLI:NL:HR:1968:AC4872). Het verschoningsrecht van de reclasseringsambtenaar wordt wel begrensd voor zover hij moet getuigen over iets waarvan van hem als reclasseringsambtenaar verlangd wordt dat hij daarover mededeling doet aan een betrokken instantie.

Verschoningsrecht van journalist

Voor journalisten bestaan in de jurisprudentie weer andere regels. Aanvankelijk kende de Hoge Raad aan de journalist helemaal geen verschoningsrecht toe. Naderhand is de Hoge Raad daarop terug gekomen, naar aanleiding van het Goodwin-arrest van het Europees Hof uit 1996. Het Europees Hof had daar geoordeeld dat een journalist niet op last van de rechter gedwongen kon worden om zijn bronnen te onthullen omdat dat in strijd zou komen met art. 10 EVRM (de vrijheid van meningsuiting).

Sindsdien mag een journalist zijn bron beschermen. Wordt hij als getuige gehoord en krijgt hij een vraag waarvan hij met het antwoord zijn bron zou onthullen, hoeft hij die vraag in beginsel niet te beantwoorden. Dat wordt wel begrensd wanneer de rechter oordeelt dat openbaring van de bron noodzakelijk is, als er een zwaarder wegend belang speelt. In een aantal arresten is dit sindsdien steeds verder uitgekristalliseerd. Zeker het Telegraaf-arrest is in dit verband van belang. Daar wordt geschetst op welke manier de rechter de betrokken belangen tegen elkaar kan afwegen, zonder dat daarbij meteen de bron van de journalist wordt vrijgegeven aan de wederpartij of anderszins openbaar wordt. In onze samenvatting van het Telegraaf-arrest hebben wij een handig stappenplan opgenomen.

Beroepsgroepen zonder verschoningsrecht

Een mediator heeft geen functioneel verschoningsrecht. Dat blijkt uit het arrest Verschoningsrecht mediator. In dat arrest wordt gewezen op de bijzonderheid dat een mediationovereenkomst vaak een bewijsovereenkomst bevat, waarbij de getuigenverklaring van de mediator tussen partijen wordt uitgesloten als bewijsmiddel. Lees ook onze samenvatting van dit arrest.

Je vindt hieronder een schema van andere beroepsgroepen die zich in beginsel niet op een functioneel verschoningsrecht kunnen beroepen, met bijbehorende jurisprudentie. Bedenk dat er steeds per situatie, waarin voor iemand een geheimhoudingsplicht geldt, bepaalde nuanceringen gelden. Het is meestal niet heel zwart/wit.

RA-accountant

HR 14-06-1985, NJ 1986, 175; ECLI:NL:PHR:1985:AC9068

belastingadviseur

HR 06-05-1986, NJ 1986, 814; ECLI:NL:PHR:1986:AB9405

politie-ambtenaar

HR 30-12-1993, NJ 1995, 735; ECLI:NL:GHAMS:1993:AD2016

gemeenteraadslid

HR 07-11-1986, NJ 1987, 457; ECLI:NL:PHR:1986:AC0033

octrooigemachtigde

Rb. Zutphen 05-01-1988, NJ 1989, 563; ECLI:NL:RBZUT:1988:AB8996

medewerker rechtswinkel

Rb. Haarlem 11-03-1975, NJ 1976, 125; ECLI:NL:RBHAA:1975:AC1873

Het afgeleid verschoningsrecht

Er zijn situaties waarin een getuige een zgn. afgeleid verschoningsrecht kan hebben. Dat doet zich voor als de getuige werkt voor iemand die onder het functioneel verschoningsrecht van art. 165 lid 1 sub b valt. Denk daarbij aan een verpleegkundige die voor een arts werkt of de juridisch secretaresse van een advocaat.

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print