Verkrijgende en bevrijdende verjaring (3:99, 3:105 BW)

In deze blog bespreken we het verschil tussen verkrijgende verjaring (acquisitieve verjaring) en bevrijdende verjaring (extinctieve verjaring). Verkrijgende verjaring is een manier om de eigendom van een goed te verkrijgen, net zoals dat ook geldt voor – bijvoorbeeld – eigendomsoverdracht (3:84 BW), natrekking (3:4, 5:14, 5:20 BW), vermenging (5:15 BW), zaaksvorming (5:16 BW). Bij bevrijdende verjaring ligt dat wat genuanceerder, zoals hieronder zal blijken.

Verkrijgende verjaring (acquisitieve verjaring, 3:99 BW)

Verkrijgende verjaring, ook wel acquisitieve verjaring genoemd, is geregeld in art. 3:99 BW. Met name lid 1 is relevant:

Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien jaren.

Het goed moet gedurende een bepaalde termijn in iemands bezit zijn geweest. Deze termijn begint te lopen op de dag na de bezitsverkrijging. Dat volgt uit art. 3:101 BW:

Een verjaring begint te lopen met de aanvang van de dag na het begin van het bezit.

Bij rechten op roerende zaken geldt een verjaringstermijn van drie jaar. Het moet gaan om roerende zaken die geen registergoederen zijn (dus bijvoorbeeld geen te boek gestelde schepen of vliegtuigen).

Er geldt eveneens een termijn van drie jaar voor rechten aan toonder en rechten aan order (bekijk ook onze pagina over rechten aan toonder en order voor uitleg over het verschil tussen beide aan de hand van voorbeelden).

Bij rechten op andere goederen geldt een verjaringstermijn van tien jaar. Het gaat hierbij om alle goederen, anders dan roerende zaken (die niet tevens registergoederen zijn), rechten aan toonder en rechten aan order. Denk in de praktijk vooral aan onroerende zaken, en natuurlijk te boek gestelde schepen en vliegtuigen.

Het bezit moet onafgebroken zijn geweest. Bezitsverlies stuit een lopende verjaring. Voor wie het bezit verliest en daarna opnieuw verkrijgt, gaat opnieuw een verjaringstermijn lopen vanaf de dag na de (hernieuwde) bezitsverkrijging (art. 3:101 BW).

Een uitzondering daarop is gedefinieerd in art. 3:103 BW:

Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de loop der verjaring niet, mits het bezit binnen het jaar wordt terugverkregen of een binnen het jaar ingestelde rechtsvordering tot terugverkrijging van het bezit leidt.

Wordt het bezit dus onvrijwillig verloren (denk bijvoorbeeld aan diefstal) en krijgt men het bezit binnen een jaar terug, of heeft men binnen een jaar een rechtsvordering ingesteld om het bezit terug te krijgen, dan wordt de verjaring dus niet onderbroken vanwege het bepaalde in art. 3:103 BW.

Verder geldt dat wanneer iemand het bezit verkrijgt van iemand ten gunste van wie reeds een verjaringstermijn was gaan lopen, de tijd die bij diegene intussen was gaan lopen bij de eigen verjaringstijd mag worden opgeteld.

Voor een verkrijger onder algemene titel (denk aan een erfgenaam) is dit het meest eenvoudig. In dat geval geldt art. 3:102 lid 1 BW:

Hij die een ander onder algemene titel in het bezit opvolgt, zet een lopende verjaring voort.

Verkrijgt men onder bijzondere titel (“anders dan onder algemene titel”; denk eenvoudigweg aan eigendomsoverdracht), dan geldt als aanvullend vereiste dat de verkrijger te goeder trouw (3:11 BW) dient te zijn. Deze regel volgt uit art. 3:102 BW:

Hetzelfde doet de bezitter te goeder trouw die het bezit van een ander anders dan onder algemene titel heeft verkregen.

De verjaring kan worden gestuit met een stuitingshandeling zoals een stuitingsverklaring in een brief. Dit volgt uit art. 3:104 BW waarvan met name lid 1 nu relevant is:

Wanneer de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt gestuit of verlengd, wordt daarmede de verkrijgende verjaring dienovereenkomstig gestuit of verlengd.

Bevrijdende verjaring (extinctieve verjaring, 3:105 BW)

Bevrijdende verjaring, ook wel extinctieve verjaring genoemd, is een vreemde eend in de bijt in boek 3, titel 4, afdeling 3 (“Verkrijging en verlies door verjaring”). Bevrijdende verjaring is geregeld in art. 3:105 BW. De hoofdregel staat in lid 1:

Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

Art. 3:105 BW sluit af met “ook al was zijn bezit niet te goeder trouw”. Dat betekent dat zelfs een bezitter te kwader trouw, zoals een dief, na een bepaalde termijn alsnog de eigendom van het door hem gestolen goed kan verkrijgen. Daarvoor is wel vereist dat er aldoor sprake is geweest van bezit, en niet slechts van houderschap.

In het geval van diefstal zal dat niet moeilijk zijn om aan te tonen: een dief die een zaak steelt, gedraagt zich immers als rechthebbende (dus eigenaar), ook al is hij dat niet. Hij houdt ‘voor zichzelf’, en valt daarmee onder de wettelijke definitie van een bezitter (art. 3:107 lid 1 BW: “Bezit is het houden van een goed voor zichzelf.”).

Begint men echter als houder in plaats van als bezitter, dan gaat er geen verjaringstermijn lopen, ook niet als de houder zich naderhand alsnog als de rechthebbende gaat gedragen en zich daarmee het bezit toe-eigent. Dit wordt namelijk geblokkeerd door het interversieverbod van art. 3:111 BW:

Wanneer men heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, gaat men daarmede onder dezelfde titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht.

Art. 3:105 BW noemt geen verjaringstermijn bij bevrijdende (extinctieve) verjaring. Dat komt doordat er ‘iets anders’ verjaart in art. 3:105 BW dan in art. 3:99 BW het geval is. Het is niet het bezit van de bezitter dat door verjaring ‘uitgroeit’ tot eigendom, zoals in art. 3:99 BW. Wat er verjaart, is de rechtsvordering van degene die het goed is kwijtgeraakt om alsnog zijn goed terug te claimen.

Denk met name aan het recht van revindicatie in art. 5:2 BW:

De eigenaar van een zaak is bevoegd haar van een ieder die haar zonder recht houdt, op te eisen.

Art. 5:2 BW ziet op zaken. Vandaar dat het recht van revindicatie is opgenomen in boek 5 BW en niet in boek 3. Gaat het niet om een zaak maar om een rechtsvordering, dan is art. 3:296 lid 1 BW maatgevend:

Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld.

In beide gevallen geldt er een verjaringstermijn van 20 jaar. Dat volgt uit art. 3:306 BW:

Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.

Net zoals dat ook geldt bij verkrijgende verjaring (vanwege art. 3:101 BW), geldt ook voor bevrijdende verjaring dat de verjaringstermijn begint te lopen vanaf de dag nadat de bezitter het bezit heeft verkregen. Dat volgt uit art. 3:114 lid 2 BW:

De termijn van verjaring van een rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit van een niet-rechthebbende begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt.

Wat er de facto gebeurt, is het volgende. Voor de bezitter die niet te goeder trouw is, gaat in beginsel geen verjaringstermijn lopen (dit staat immers nergens in art. 3:105 BW). Maar degene die het bezit heeft verloren, verliest na 20 jaar de mogelijkheid om een einde te maken aan die toestand (bijvoorbeeld door te revindiceren), omdat dat nu eenmaal zo is geregeld in art. 3:306 BW. Om nu de situatie te vermijden dat er een goed bestaat met een bezitter die nooit eigenaar zal kunnen worden, en een eigenaar die het bezit heeft verloren en na 20 jaar niet langer de mogelijkheid heeft om alsnog zijn goed terug te krijgen, is art. 3:105 BW in leven geroepen. Dat bepaalt dat dan maar de bezitter, ook al is die niet te goeder trouw, alsnog de eigendom verkrijgt: dus op het moment dat de rechtsvordering van zijn wederpartij (bijvoorbeeld tot revindicatie) na 20 jaar verjaard is. Daarmee wordt, zoals gezegd, voorkomen dat goederen in een soort onbestendig ‘vacuüm’ terechtkomen waar in feite niemand er iets mee ‘kan’ (de bezitter wordt geen eigenaar, en de eigenaar kan het goed niet meer claimen).

HR Heusden / Erven M c.s.

Natuurlijk voelt die situatie enigszins onrechtvaardig. Het bestaan van deze regeling neemt echter niet weg dat de bezitter die te kwader trouw is, onrechtmatig handelt door het goed in bezit te nemen en voor zichzelf te gaan houden. De oorspronkelijke rechthebbende kan hem dan ook uit onrechtmatige daad aanspreken (art. 6:162 BW) en schadevergoeding vorderen.

Die schadevergoeding kan hij, behalve in de vorm van een geldsom, ook vorderen in de vorm van eigendomsoverdracht van het door bevrijdende verjaring verkregen goed. Die mogelijkheid wordt gecreëerd in art. 6:103 BW:

Schadevergoeding wordt voldaan in geld. Nochthans kan de rechter op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom toekennen. Wordt niet binnen redelijke termijn aan een zodanige uitspraak voldaan, dan herkrijgt de benadeelde zijn bevoegdheid om schadevergoeding in geld te verlangen.

Over dit onderwerp bestaat enige jurisprudentie. Maatgevend is vooral het arrest Heusden/Erven M c.s. (HR 24 februari 2017, 2017, RvdW 2017, 298; ECLI:NL:HR:2017:309). Het is dus zeker niet zo dat een bezitter te kwader trouw (zoals een dief) na 20 jaar, zonder meer, als het ware ‘beloond’ wordt voor zijn onrechtmatige toe-eigening van andermans goed.

Stel nu dat op het eigendomsrecht van degene die zijn bezit heeft verloren aan een bezitter te kwader trouw, een beperkt recht rustte. Denk bijvoorbeeld aan pandrecht op een zaak die naderhand blijkt te zijn gestolen. Dan bepaalt art. 3:106 BW dat, na het verstrijken van de rechtsvordering van de rechthebbende om zijn goed terug te eisen (in dit voorbeeld zou dat het recht van revindicatie zijn, art. 5:2 BW), het beperkte recht tenietgaat “voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet”:

Wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid, gaat het beperkte recht teniet, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet.

De bezitter te kwader trouw die de eigendom verkrijgt door bevrijdende verjaring, verkrijgt dan in zoverre de volle eigendom, dus onbelast met het beperkte recht. Het beperkte recht kon immers toch al niet effectief worden uitgeoefend als gevolg van de met dat beperkte recht strijdige toestand, waarin een ander dan de eigenaar zichzelf (zij het niet te goeder trouw) tot bezitter had gemaakt.

verkrijgende bevrijdende verjaring acquisitieve extinctieve heusden erven houderschap bezit eigendom

Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print