Rechterswisseling: het belang van de mondelinge behandeling (onmiddellijkheidsbeginsel) en het vervangen of toevoegen van een rechter

Ook in civiele dagvaardings- of verzoekschriftzaken is het van groot belang dat de rechter, die over een zaak beslist, zelf op een zitting de partijen heeft gezien, gesproken en hun argumenten heeft gehoord. Aan de arresten die de Hoge Raad hierover sinds 2014 wees voegde hij er onlangs enkele toe.

Er spelen hier twee kwesties en een vraag:

  1. Vervanging van een of meer rechters na de mondelinge behandeling
  2. Behandeling ter zitting door een enkelvoudige kamer terwijl de zaak zelf meervoudig wordt beslist
  3. Kan het recht om een nieuwe mondelinge behandeling te vragen worden misbruikt?

1. Vervanging van een of meer rechters na de mondelinge behandeling

‘Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling (daaronder begrepen een comparitie van partijen of pleidooi in dagvaardingszaken), behoort, behoudens bijzondere omstandigheden, te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Deze regel heeft in de afgelopen decennia aan betekenis gewonnen door het toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling in de civiele procedure. (…) Mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting kan van wezenlijke invloed zijn op de oordeelsvorming van de rechter, en kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven, nog daargelaten dat het opmaken van een proces-verbaal niet in alle gevallen wettelijk is voorgeschreven. (HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076)’

Sinds dit arrest is het voor de gerechten verplicht om aan partijen tijdig mee te delen of één of meer van de zittingsrechters verhinderd is om mee te werken aan de uitspraak die op die zitting volgt. Na zo’n mededeling hebben partijen of de belanghebbenden het recht om te vragen de mondelinge behandeling over te doen ten overstaan van de nieuwe rechter(s). Dat verzoek moet in beginsel worden toegewezen. Alleen als het proces-verbaal van de zitting uiterlijk tegelijk met de mededeling aan partijen is verstrekt én het belang van een voortvarende procesvoering dat vergt, kan het verzoek worden afgewezen. De rechter moet die afwijzing in zijn daaropvolgende uitspraak motiveren.

Hieruit volgt de hoofdregel dat de rechters in het belang van partijen de zaak volgen. Er moet immers voldoende gewaarborgd worden dat hetgeen ter zitting is voorgevallen, wordt meegewogen bij de totstandkoming van de uitspraak. Het maakt niet uit of het om een enkelvoudig of meervoudig te beslissen zaak gaat. Uiteraard zijn er uitzonderingen op de hoofdregel mogelijk. De Hoge Raad noemt als voorbeelden dat een rechter in de loop van de behandeling van een zaak kan defungeren, overlijden of langdurig ziek worden.

Al snel was er een aanvullingsarrest nodig. Wat te doen namelijk als na de mondelinge behandeling niet een einduitspraak maar een tussenuitspraak volgt en er daarna, maar vóór de einduitspraak, een rechterswisseling plaatsvindt. De regels van het 2014-arrest blijven hiervoor onverkort gelden. De zittingsrechter(s) blijven op de zaak zitten. Alleen in bijzondere gevallen mag daarvan afgeweken worden. Daarna hebben partijen het recht om een hernieuwde mondelinge behandeling te vragen volgens dezelfde regels en voorwaarden van het 2014-arrest. Alleen waren de gerechten niet verplicht van deze na de mondelinge behandeling plaatsgevonden hebbende rechterswisseling mededeling te doen aan partijen (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662). Ja, daarmee werd dit recht een klein beetje een wassen neus. Want wanneer merkt een partij dat er na de mondelinge behandeling en tussenuitspraak een rechterswisseling heeft plaatsgevonden? Precies, meestal pas bij het kennisnemen van de einduitspraak.

Niet onbegrijpelijk is dan ook dat de Hoge Raad in een volgend arrest hierop is teruggekomen (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472):

‘Indien op enig moment na de mondelinge behandeling vervanging noodzakelijk blijkt van een of meer rechters ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, dient het gerecht dit voorafgaand aan de eerstvolgende uitspraak mee te delen aan partijen (waaronder in verzoekschriftprocedures begrepen de belanghebbenden), onder opgave van de reden(en) voor de vervanging en de beoogde uitspraakdatum. Dit geldt voor elke uitspraak waarin een rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden voor het eerst door een andere rechter wordt vervangen.

Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen mag vervolgens verzoeken om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Voor de beslissing op dat verzoek gelden onverkort de regels zoals gegeven in rov. 3.4.4 van voornoemd arrest van 31 oktober 2014 en rov. 3.8 van voornoemd arrest van 15 april 2016’.

Wel neemt het gewicht van de hoofdregel, dat de rechters in het belang van partijen de zaak volgen, af naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen. Zoals in het arrest van 2014 is overwogen, weegt ook het belang van een voortvarende procesvoering mee bij de beoordeling van verzoeken om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling.

Voor wat voor zittingen geldt deze jurisprudentie?

  • het pleidooi van art. 134 Rv (oud) in dagvaardingszaken, aanhangig gemaakt vóór 1 oktober 2019) en de mondelinge behandeling (art. 87 lid 1 Rv) voor op of na 1 oktober 2019 aanhangig gemaakte dagvaardingszaken
  • de mondelinge behandeling in verzoekschriftzaken (art. 279 lid Rv)
  • een inlichtingencomparitie vermoedelijk ook (art. 88 lid 1 Rv oud / 87 -91 Rv).

Deze jurisprudentie geldt niet voor:

  • de benoeming van deskundigen en de beoordeling van een deskundigenbericht zonder dat er een zitting heeft plaatsgevonden (HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1906)
  • de comparitie na aanbrengen in hoger beroep, die plaatsvindt op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en die veelal met name ertoe dient de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662)
  • procedures waarin vóór de datum van het arrest van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden (rechterlijke overgangsmaatregel.

Opvallend is dat de Hoge Raad bij deze materie thans ook de rechter-commissaris (R-C) betrekt die getuige(n) heeft gehoord (art. 155 Rv). Deze R-C moet in ieder geval de uitspraak meewijzen waarin de bewijswaardering van het getuigenbewijs plaatsvindt. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs de einduitspraak te zijn. W.D.H. Asser had dit in zijn noot onder het 2014-arrest al bepleit (NJ 20145/181). Of de Hoge Raad bij het schenden van voornoemde regel in afwijking van het bepaalde in art. 155 Rv wel een sanctie voorstaat is thans nog niet duidelijk (HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472).

2. Behandeling ter zitting door een enkelvoudige kamer terwijl de zaak zelf meervoudig wordt beslist

De Hoge Raad formuleerde de volgende hoofdregel:

‘Indien een zaak meervoudig wordt beslist, brengt de strekking van de (…) regel van het arrest van 2014 mee dat een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen.

Van dit doel is in het algemeen sprake bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Daarnaast kan van dit doel sprake zijn bij een mondelinge behandeling in een andere stand van het geding, maar dat hoeft niet het geval te zijn’ (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259).

Nadien zijn in cassatie vele zaken over de kop gegaan om de enkele reden dat de zitting enkelvoudig had plaatsgevonden, terwijl de beslissing meervoudig werd genomen.

Van dit fundamentele recht kunnen partijen overigens afstand doen. Dit afstand van recht kan uitdrukkelijk of stilzwijgend.

Voor uitdrukkelijk afstand doen ter zitting zie bijv. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1202 en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1280 (BOPZ). Met het afstand doen van het recht op pleidooi na een enkelvoudige zitting wordt niet uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht op een meervoudige behandeling ter zitting (HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:567).

Stilzwijgend afstand van recht op een meervoudige behandeling ter zitting kan op twee manieren:

  • Uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling zal (schriftelijk of elektronisch) aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een rechter-commissaris of raadsheer-commissaris. Aan partijen dient gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Voor het doen van dit verzoek kan een termijn worden gesteld (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, r.o. 3.6.3).
  • Opmerking verdient dat de gerechten ook bij procesreglement kunnen regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Met een dergelijke regeling wordt voldoende gelegenheid gegeven voor het doen van dat verzoek (o.a. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971, r.o. 3.4.4). In enkele reglementen is hierover al een bepaling opgenomen (zie bijv. art. 4.14 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven).

Deze jurisprudentie geldt voor enkelvoudige zittingen die erop gericht zijn dat partijen hun stellingen toelichten, waarna door een meervoudige kamer (MK) de beslissing wordt genomen.

Het gaat hierbij onder meer om:

  • het pleidooi van art. 134 Rv (oud) in dagvaardingszaken, aanhangig gemaakt vóór 1 oktober 2019) en de mondelinge behandeling (art. 87 lid 1 Rv) voor op of na 1 oktober 2019 aanhangig gemaakte dagvaardingszaken, waarna een MK-beslissing volgt
  • de mondelinge behandeling in verzoekschriftzaken (art. 279 lid Rv), waarna een MK-beslissing volgt
  • een zitting onder wat voor benaming dan ook (schikking, inlichtingen, regie, etc), die in werkelijkheid door partijen is benut om hun stellingen toe te lichten (o.a. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971 en recentelijk HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:752)
  • de verwijzing door een enkelvoudige kamer (art. 15 lid 2 of 16 lid 3 Rv) na de zitting waarop partijen hun stellingen hebben toegelicht, naar een meervoudige kamer (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, r.o. 3.6.5)
  • de voortzetting door een R-C van een zitting die MK is begonnen, waarna een MK-beslissing volgt (HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271).

Deze jurisprudentie geldt niet voor:

  • een pure regiezitting
  • inlichtingencomparitie die door partijen niet is benut om hun stellingen toe te lichten (volgt uit o.a. HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971), maar dit zal niet vaak voorkomen
  • de comparitie na aanbrengen in hoger beroep, die plaatsvindt op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en die veelal met name ertoe dient de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662 en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726).

Er geldt geen rechterlijke overgangsregel zoals in het 2014-arrest. Dat betekent dat de Hoge Raad van oordeel is dat de EK-zitten – MK-beslissen regel ook al vóór zijn arrest van 22 december 2017 gold.

3. Kan het recht om een nieuwe mondelinge behandeling te vragen worden misbruikt?

Partijen hebben dus het recht om bij (1) een nieuwe mondelinge behandeling te vragen indien er ná de mondelinge behandeling een rechterswisseling plaatsvindt en bij (2) een meervoudige zitting te vragen indien er ook meervoudig beslist gaat worden. In beide gevallen zal de uitoefening van deze rechten vertraging van de procedure met zich brengen. Kunnen partijen strategisch gebruik maken van deze rechten?

Een partij die haast heeft en/of vindt dat al hetgeen zij ter zitting heeft gezegd voldoende is weergegeven in het proces-verbaal en de overige processtukken, zal het liefst snel een uitspraak ontvangen. Zij zal geen nieuwe mondelinge behandeling wensen met een eventuele herhaling van zetten.

De partij, die er wel bijzonder aan hecht dat de rechter(s) die zal/zullen beslissen ten volle rekening zal/zullen houden met al hetgeen zij (al dan niet met de nodige emoties) ter zitting heeft verteld, heeft alle recht op een nieuwe mondelinge behandeling ten overstaan van de of alle rechters die de beslissing zullen gaan nemen. Daar is niets mis mee. Maar er zullen ook partijen zijn, waarbij dit niet speelt, maar die uitsluitend belang hebben bij vertraging. Zo’n partij zal sneller geneigd zijn om wel om die herhaling van zetten te vragen, wetende dat in het huidige tijdsgewricht dit snel voor een vertraging van vele maanden zal zorgen. Dit riekt naar misbruik van recht (vgl. art. 3.13 BW). Toch kan de rechter zulk misbruik van recht niet gemakkelijk vaststellen. De bandbreedte voor het alsnog weigeren van bij (1) een nieuwe mondelinge behandeling of bij (2) een meervoudige mondelinge behandeling is zeer beperkt. Indien er geen proces-verbaal van de zitting is opgemaakt en/of partijen daarvan niet tijdig (dat is uiterlijk tegelijk met de mededeling dat er (1) een rechterswisseling of (2) verwijzing naar de MK heeft plaatsgevonden) een afschrift ontvangen, is een weigering welhaast onmogelijk. Ook indien hier wel aan is voldaan, geldt de hoofdregel dat partijen recht hebben op een nieuwe cq meervoudige mondelinge behandeling. Een uitzondering bij (1) na de rechterswisseling is dat het belang van een voortvarende procesvoering die weigering vergt. De rechter zal hier zeer terughoudend gebruik van moeten maken. Een enkele vertraging van de procedure, die inherent is aan het gelasten van een nieuwe zitting, zal hiervoor niet toereikend zijn. Voor (2) heeft de Hoge Raad overwogen dat het verzoek in beginsel moet worden ingewilligd. Het verzoek kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.

Het komt wel eens voor dat een rechter ervan overtuigd is dat een partij misbruik van recht maakt door een nieuwe zitting te verzoeken, zonder dat hij glashard dat misbruik kan vaststellen. Een weigering of sanctie is dan niet mogelijk. Wel mogelijk is om, indien de zittingsagenda van de rechter dat toelaat, het verzoek om een nieuwe zitting toe te staan en op zeer korte termijn die zitting te laten plaatsvinden. Op die manier heeft de verzoekende partij haar zitting zonder dat de zaak voor de wederpartij al te veel vertraging oploopt.

Actualiteiten burgerlijk procesrecht (Boek 1 Rv)

Tijdens deze cursus bespreekt mr. S.M.A.M. Venhuizen nog veel meer actualiteiten op het gebied van het burgerlijk procesrecht.

Mr. S.M.A.M. Venhuizen

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print