Meester worden over de gesloten vragen

Het maken van tentamens lijkt in eerste instantie vaak een kwestie van een goede voorbereiding en het hebben van parate juridische kennis. Maar in werkelijkheid blijkt echter dat mensen die goed zijn voorbereid en over voldoende kennis en inzicht beschikken het tentamen toch niet halen. Dat komt omdat een tentamen maken niet alleen draait om kennis, maar ook om het beheersen van de emoties die tijdens een tentamen spelen. Je hebt weinig tijd, de druk is hoog, je bent waarschijnlijk al moe van het leren, en dan opeens zie je tot je grote schrik een vraag die jou niets zegt. Dat is precies zo’n moment waarop de paniek zich aanmeldt. Je gaat vragen slecht lezen, begint tijd te verdoen met het opzoeken van zaken waar niet naar gevraagd wordt, je gaat aan jezelf twijfelen en voordat je het weet kom je in een negatieve cyclus terecht. Het tentamen dat je met jouw kennis met gemak had moeten kunnen halen, verandert zo opeens in een tranendal. En dan ben je nog niet eens aan de open vragen begonnen.

Het maken van een tentamen is dan ook in wezen een vaardigheid die je je pas met het nodige vallen en opstaan eigen maakt. Helaas heb je als advocaat-stagiair niet de luxe om die uitgebreide ervaring in het maken van de tentamens van de Beroepsopleiding Advocaten op te doen; voor jou telt elk tentamen. Daarom hebben wij deze handleiding geschreven waarin we je een aantal tips meegeven die jouw kans op het slagen voor de gesloten vragen aanzienlijk zullen verhogen.

Time management

Allereerst moet je je realiseren dat het tentamen dat je gaat maken drie uur duurt. In die drie uur krijg je doorgaans zo’n 25 à 30 gesloten vragen en rond de zes tot acht open vragen. Als je de zaak 50/50 verdeelt wil dat zeggen dat je voor elke gesloten vraag ongeveer 3 minuten hebt, en voor elke open vraag ongeveer 11 minuten. Om die tijd voor de open vragen zoveel mogelijk voor vrij te maken is het zaak om niet meer tijd aan de gesloten vragen te besteden dan strikt noodzakelijk is. Dit is mogelijk als je de methodiek achter de gesloten vragen leert kennen.

De vraag de baas worden

Als je thuis met tentamens oefent, of daadwerkelijk een tentamen aan het maken bent, lijken alle vragen uniek en veel van elkaar te verschillen. Dit kan overdonderend werken omdat je nu het idee krijgt dat je in een korte tijd veel uiteenlopende en bijzonder complexe vragen moet beantwoorden. Als gevolg daarvan kun je gehaast en slordig worden wat op zijn beurt weer paniek kan veroorzaken. Al deze gevoelens zijn absoluut normaal, iedereen maakt ze mee, en ze werken allemaal in jouw nadeel. Je moet dus zo snel mogelijk zorgen dat je de baas bent over de vragen en niet andersom. Dat kan met behulp van twee technieken. De eerste richt zich vooral op jou als persoon. De tweede techniek richt zich op een inzicht in de methodiek achter de gesloten vragen.

De persoon

Jij bent zelf degene die het tentamen gaat maken en daarmee ook jouw eigen belangrijkste werktuig. Maar al te vaak ondergraaft een verkeerde mentale instelling dan ook een goede prestatie op het tentamen. Je kent waarschijnlijk al een aantal van jouw eigen juridische zwaktes, je voelt wel aan wanneer je niet voldoende hebt gestudeerd, waar je steekjes liet vallen, en dit wordt alleen maar erger naarmate je perfectionistischer bent, want dan zie je waarschijnlijk alleen maar problemen en complicaties. Dit moet je meteen overboord zetten want het geeft jou een negatieve instelling mee die leidt tot twijfel, zelfverwijt en te diep nadenken over simpele vragen.

Je zit hier voor een juridisch tentamen op academisch niveau. Dat is niet heel makkelijk, maar het is ook zeer zeker niet heel moeilijk. Bedenk daarbij het volgende:

1: Besef dat je al een meestertitel hebt. Je hebt dus al veel juridische kennis in huis. Heb vertrouwen in je bul, ook al is het enige tijd geleden dat je die hebt behaald.

2: Je bent door iemand of een instelling met meer kennis en ervaring dan jij zelf aangesteld of in patronaat genomen als advocaat-stagiair. Dat doen zij beslist niet omdat je de slechtste jurist van Nederland bent. Heb dus ook vertrouwen in het feit dat je dit moet kunnen.

3: Tenzij duidelijk naar voren is gekomen (bijvoorbeeld bij onze trainingen) dat je echt een kennisprobleem hebt, kun je ervan uitgaan dat je in beginsel de benodigde basiskennis in huis hebt om deze vragen te beantwoorden. Zo niet, is dat nog bij te spijkeren.

4: Probeer bij elke casus te vermijden dat je direct naar jouw rechtsgevoel luistert en de details induikt. Werk procesmatig, vertrouw op dit proces; dit voorkomt verdwalen en paniek:

  • Wat is de rechtsvraag? (bijvoorbeeld schadevergoeding bij wanprestatie)
  • In welk rechtsgebied zitten we? Procesrecht, goederenrecht, contractenrecht?
  • Om welk deelgebied gaat het? Bewijsrecht, levering, wil en verklaring?
  • Binnen dit deelgebied, waar gaat de rechtsvraag nu echt over? (bijv. moet er in gebreke worden gesteld bij schade uit wanprestatie?)
  • Is dit een vraag over wetskennis en/of een jurisprudentievraag?
  • Als je op deze manier alles hebt geïnventariseerd, kun je alvast 99,9% van het wetboek wegstrepen als irrelevant.
  • De 0,1% die je overhoudt is het werktuig waarmee je de vraag gaat beantwoorden en meestal rolt het antwoord er dan zonder veel moeite vanzelf uit.
  • Vertrouw op dit proces!

5: Als je toch in paniek dreigt te geraken:

  • Dwing jezelf om je enkel en alleen te focussen op de specifieke vraag die jou op dat moment wordt gevraagd, en niets anders.
  • Haal er in je paniek niets bij waar niet uitdrukkelijk om wordt gevraagd
  • Werk stapje voor stapje, je bent jurist en weet als geen ander dat de wet rationeel, logisch en procesmatig in elkaar zit. De wet geeft in de meeste gevallen zelf al antwoord zolang je het model van punt 4 blijft volgen.
  • Bedenk dat de tentamens doorgaans niet naar zaken vragen die je al niet weet of niet kunt opzoeken.

De gesloten vraag zelf

Naast het onder controle brengen van jezelf moet je ook de gesloten vraag onder controle brengen. Bedenk daarbij het volgende. Gesloten vragen kunnen soms intimiderend overkomen. Je bent niet de enige die hierdoor van slag raakt, dat overkomt iedereen. Houd hierbij het volgende in gedachten:

1: Degenen die de gesloten vraag hebben bedacht zijn meestal niet op zoek naar extreem exotische kennis van een obscuur rechtsgebied maar toetsen of jij als generalist voldoende kennis hebt van de meest voorkomende rechtsfiguren. Wat de vraag ook moge zijn, het is óf algemene kennis óf een beetje specifiek. Denk dus niet overdreven ver door. Daar is het tentamen simpelweg niet voor gemaakt, een enkele uitzondering daargelaten. Dit geldt ook voor de open vragen.

2: Dit houdt dus ook in dat de vraag die je nu voor je ziet óf terug is te leiden tot een artikel in je wetboek óf tot standaard jurisprudentie. In een noodgeval kun je het antwoord zeer waarschijnlijk zelf ook beredeneren. Bijvoorbeeld in het burgerlijk recht staan redelijkheid, billijkheid en efficiëntie van procesgang hoog in het vaandel. Hetzelfde geldt voor de bescherming van zwakkere partijen (zoals consumenten) tegen sterkere wederpartijen (zoals professionele verkopers).

3: Er is een verschil tussen de casustekst, de vraag en de antwoorden. Laat je niet intimideren door een complexe casuspositie. Het kan goed mogelijk zijn dat de samensteller van het tentamen jou op een dwaalspoor wil brengen. Vraag je daarom altijd of in hoeverre de casustekst relevant is voor de vraagstelling, en in hoeverre de antwoorden aansluiten op de vraagstelling. Zo dwing je de vraag om zich te conformeren aan jouw denkkader in plaats van andersom. Het is heel goed mogelijk dat het antwoord zelf enorm voor de hand liggend is terwijl de vraag als geheel erg ondoorzichtig en complex lijkt.

4: Wat daarbij een hele grote hulp kan zijn, is het volgende. Elke gesloten vraag valt qua technische samenstelling in te delen in een bepaalde categorie. Hieronder zijn de meest voorkomende categorieën weergegeven in de volgorde die het meeste tijd oplevert als je ze herkent. Het is hiermee zelfs mogelijk om vragen te beantwoorden wanneer je het juiste antwoord eigenlijk helemaal niet kent.

De categorieën zijn:

  1. Het antwoord wordt weggegeven
  2. Zelf bedenken zonder opzoeken
  3. Evident fout
  4. Evident goed
  5. Evident goed met een goed, en een beter alternatief
  6. Opzoekvragen
  7. Vragen waarbij de jurisprudentie afwijkt van de wet
  8. Opzettelijk misleidende vragen

Deze acht varianten zijn hieronder met een praktijkvoorbeeld geïllustreerd (steeds vanuit het burgerlijk recht, maar dit model is ook toepasbaar op andere rechtsgebieden).

(1) Het antwoord wordt weggegeven

Deze moet je leren herkennen want hij komt ongeveer één tot drie maal per tentamen voor, en dat scheelt je dus veel opzoektijd die je nu, in plaats daarvan, in open vragen kunt investeren. Uit het tentamen major burgerlijk recht van november 2015:

Voorbeeld:

Vraag: De voor het bijbrengen van bewijs cruciale getuige Hendrikson blijkt terminaal ziek en heeft, naar verwachting, nog slechts enkele weken of hooguit maanden te leven. U overweegt nu als advocaat (A) om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken en (B) de verklaring van Hendrikson in een notariële akte te laten vastleggen.

Welke acties moet u nu in gang zetten?

a)        Het verdient aanbeveling om zowel A als B meteen in gang te zetten.
b)        Alleen A. B is zinloos aangezien aan een dergelijke notariële akte geen enkele bewijskracht toekomt.
c)        Alleen B. A is zinloos aangezien op een dergelijke korte termijn een voorlopig getuigenverhoor niet haalbaar is.

Methode: ik neem eerst afstand van de antwoorden en bekijk de antwoorden op hun technische samenstelling.

Hoofdregel: in het civiel recht is alles redelijk en vrij open geregeld.

a)        Lijkt redelijk, er is geen dwingende formulering, je kan hier veel mee.
b)        ‘B is zinloos’. Rare formulering, erg subjectief en dwingend.
Geen enkele bewijskracht: ik weet dat de rechter hierover oordeelt (152 RV), daarbij is de bewoording ‘geen enkele’ heel rigide, meer voor het strafrecht geschikt.
Moet dus wel fout zijn.
c)        ‘A is zinloos’: zelfde als hierboven.
‘is op korte termijn niet haalbaar’: subjectief oordeel, erg rigide, blijkt niet uit de casus.

(2) Zelf bedenken zonder opzoeken

Over het algemeen is ‘zelf bedenken zonder opzoeken’ een riskante methode. Wij raden dit alleen aan als je in tijdnood dreigt te geraken. Maar bedenk: elke keer dat je in je wetboek gaat zoeken bent je tussen de 3-5 minuten kwijt. Als je in tijdnood raakt, loont het soms om je wetboek gewoon even te laten liggen en zelf na te denken.

Voorbeeld:

Wat behoort tot de hoofdtaak van de bewindvoerder in een surseance van betaling van een besloten vennootschap met een onderneming?

a)        het beschermen van de werkgelegenheid
b)        het zoveel mogelijk voldoen van de schuldeisers naar hun rang en naar rato van hun vordering
c)        het mede leiding geven aan de onderneming

Als je dit op moet zoeken, ben je heel veel tijd kwijt en dat is in dit geval nergens voor nodig. We weten dat surseance uitstel betekent: er wordt juist niet betaald. Ergo: optie B valt af.
Het woord bewindvoerder houdt in dat iemand leiding neemt; ergo: optie C lijkt juist.
Optie A slaat nergens op omdat de vraag ziet op uitstel van betaling en de rol van de bewindvoerder daarbij. Optie A zou relevant zijn als er werd gevraagd naar de maatschappelijke gevolgen van een faillissement of surseance maar dat wordt niet gevraagd. Daarbij, is optie C altijd meer evident juist dan optie A. Optie C is dus zowel qua ratio juist, als wel het meest juiste antwoord en daar hoef ik niet voor op te zoeken.

(3) Evident fout

Dit is het simpelste model en kun je met zekerheid snel beantwoorden.

a)        Evident fout antwoord
b)        Evident fout antwoord
c)        Moet wel goed zijn, ook al zegt het je misschien helemaal niets

Voorbeeld:

Ter Brug heeft in zijn woning een nieuwe cv-installatie laten aanleggen door Perdok. Kort na de ingebruikname constateert Ter Brug dat één van de aansluitingen op de radiatoren een beetje lekt. Hij wil natuurlijk dat Perdok dit probleem verhelpt, maar door zijn drukke baan vergeet hij Perdok te verzoeken het gebrek te herstellen. Na vier weken ontstaan door vochtophoping plotseling scheuren in de dure laminaatvloer, die daardoor geheel als verloren kan worden beschouwd. Ter Brug meldt het gebrek en de schade aan Perdok en wil vergoeding van zijn schade.

Is Perdok aansprakelijk voor de schade aan de vloer?

a)        Nee, want het lekken van de leiding is geen conditio sine qua non voor het tenietgaan van de vloer.
b)        Nee, want deze schade kan niet als een gevolg van het lekken aan Perdok worden toegerekend.
c)        Ja, want het lekken van de leiding is conditio sine qua non voor het tenietgaan van de vloer.

Let op, dit is ook een instinker. De vraag lijkt te gaan over causaliteitsleer maar gaat in wezen over aansprakelijkheid. Aansprakelijkheid voor schade uit schuld ontstaat pas als er een causaal verband en de schadeveroorzakende handeling aan die persoon kan worden toegerekend. Alleen optie B gaat over toerekening. Opties A en C gaan alleen over de vraag of er wel of geen causaal verband is en zijn dus evident fout.

(4) Evident goed

Deze variant is wat moeilijker omdat je nu twee opties niet kent. Het enige echte gevaar is dat een van de die twee beter is dan het evident juiste antwoord (zie voorbeeld 3).

  1. Geen idee of het goed of fout is
  2. Geen idee of het goed of fout is
  3. Ik herken dit meteen als helemaal correct
Voorbeeld:

Jansen heeft al sinds lange tijd een stuk grond in bezit. Ook zijn rechtsvoorganger had dit stuk al in gebruik en voorzien van een omheining. De nieuwe buurman van Jansen beweert, na een kadastrale meting, dat het stuk van hem is, omdat het bij het onlangs door hem gekochte perceel hoort.

Wat is rechtens juist?

a)        Jansen wordt vermoed als bezitter ook rechthebbende van het stuk grond te zijn.
b)        De uitkomst van de kadastrale meting bewijst dat de buurman rechthebbende is.
c)        Jansen kan zijn bezit slechts aantonen, als hij een beroep kan doen op een in de openbare registers opgenomen feit waaruit het bezit blijkt.

Optie A volgt rechtstreeks uit art. 3:119 BW. Als je deze meteen weet te herkennen, zou je om die reden B en C kunnen wegstrepen. Let wel: doe dit alleen als je in tijdnood bent. Zo niet, is het beslist zinvol om ook B en C zorgvuldig inhoudelijk te beoordelen.

(5) Het betere antwoord

Deze variant komt vaak voor bij opzoekvragen. Dat wil zeggen: daar waar het antwoord niet meteen herkenbaar is als evident juist of fout. Wat het juiste antwoord vaak weggeeft, is dat een van de antwoorden niets met de andere twee te maken heeft en dat de andere twee variaties op één thema zijn. Dit soort vragen neemt vaak deze vorm aan:

a)        Fout antwoord
b)        Algemene regel
c)        Specifieke uitzondering of toevoeging op de algemene regel

Voorbeeld:

Oma Simons verkoopt haar sieraden aan kleindochter Eva. Achteraf blijkt dat sprake is van misbruik van omstandigheden.

Welke stelling is juist?

a)        De koopovereenkomst is slechts vernietigbaar als oma hierdoor financieel nadeel lijdt.
b)        De koopovereenkomst is door misbruik van omstandigheden altijd vernietigbaar.
c)        De koopovereenkomst is vernietigbaar. De bevoegdheid tot vernietiging vervalt wanneer Eva tijdig voorstelt de overeenkomst zo te wijzigen dat oma daarvan geen nadeel meer ondervindt.

Optie A is evident fout
Optie B is juist maar is de algemene regel (3:44 BW)
Optie C is de uitzondering op de algemene regel (3:54 BW)

(6) Opzoekvragen

Hier is weinig aan te doen behalve de wet induiken. Hanteer daarbij de volgende methodiek:

  1. Om welk rechtsgebied gaat het in het algemeen?
  2. Om welk subgebied van dit rechtsgebied gaat het?
  3. Is de casus recht-toe-recht-aan, of impliceert de casus een uitzondering of specifieke variant op een bekend thema?
  4. Wat wordt er precies gevraagd? Let er op dat de casus of de vraagstelling opzettelijk misleidend kan zijn geformuleerd met als doel je op een doelloze zoektocht te sturen (zie hierboven onder punt 3). Beantwoord de daadwerkelijke vraag en niet wat jij denkt dat de vraag inhoudt!
  5. Zoek de wet op en lees daarbij altijd de artikelen in de directe omgeving zodat je de context begrijpt en eventuele uitzonderingen kan vinden.

(7) Vragen waarbij de jurisprudentie afwijkt van de wet

Bij dit type vraag lijkt een antwoord uit de wet juist maar heeft de jurisprudentie een uitzondering gecreëerd.

Voorbeeld:

De buren Jacobse en Van Es ruziën over de eigendom van een strook grond tussen hun percelen en over een boom van Jacobse die volgens Van Es te dicht bij een ander deel van hun erfgrens staat. In het dictum van haar vonnis geeft de rechtbank Jacobse opdracht te bewijzen dat de strook grond hem toekomt en veroordeelt zij hem de boom te verwijderen. De rechtbank heeft hoger beroep van dit vonnis uitgesloten. Jacobse wil beide beslissingen van de rechter onmiddellijk bij het gerechtshof aanvechten.

Kan dat?

a)        Jacobse kan noch de bewijsopdracht noch de veroordeling om de boom te verwijderen onmiddellijk bij het gerechtshof aanvechten.
b)        Jacobse kan de bewijsopdracht niet onmiddellijk bij het gerechtshof aanvechten maar de veroordeling om de boom te verwijderen wel.
c)        Jacobse kan zowel de bewijsopdracht als de veroordeling om de boom te verwijderen onmiddellijk bij het gerechtshof aanvechten.

Artikel 337 lid 2 RV stelt dat men in beginsel geen beroep kan instellen tegen tussenvonnissen. Dan zou optie B de juiste zijn. Echter, de rechtspraak heeft bepaald dat vanuit het oogpunt van efficiëntie het beter is om de zaken bij elkaar te houden en dat hier dus optie C de juiste is. Dit leerstuk komt vaak terug in de tentamens. Bedenk dan ook dat proces efficiëntie een belangrijk motief is in het ongeschreven procesrecht.

(8) Opzettelijk misleidende vragen

Zie het voorbeeld onder 3. Lees altijd de vraag extreem nauwkeurig en stel jezelf de vraag: wat wordt er hier nu echt gevraagd en welk van de antwoorden is sowieso geen antwoord op die vraag? Laat je niet misleiden door de casus. Het voorbeeld onder 3 is een goed voorbeeld van een vraag die jou duidelijk op het dwaalspoor wil zetten om in termen van causaliteit te denken terwijl de vraag gaat over toerekening. Als je dit herkent op een tentamen scheelt je dat veel tijd en punten.

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print