Kinderrechter oordeelt op grond van de Bijbel over uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling van kinderen

In deze bijdrage beschrijf ik hoe een kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden een uitspraak over de uithuisplaatsing (UHP) en ondertoezichtstelling (OTS) van twee kinderen heeft gebaseerd op de Bijbel. Daarmee heeft hij de vrijheid van godsdienst geschonden en de scheiding van kerk en staat doorkruist (een van de grondbeginselen van een democratische rechtsstaat).

Het wordt pijnlijk zichtbaar hoe je als ouder klem kunt komen te zitten in de raderen van de kinderrechtspraak, waar waarheidsvinding (art. 3.3 Jeugdwet) van ondergeschikt belang is. De kinderrechter richt zich in zijn uitspraak rechtstreeks tot de kinderen, en ook al leidt dat tot positieve reacties vanuit het publiek, is dat onwenselijk en bestaat daarvoor bovendien geen wettelijke grondslag.

Inhoud

Inleiding

Op 14 april 2021 wees de kinderrechter van de Rechtbank Leeuwarden een uitspraak in een kwestie over de uithuisplaatsing (UHP) en de ondertoezichtstelling (OTS) van twee kinderen (ECLI:NL:RBNNE:2021:1569). De aanleiding voor deze uitspraak was het door de vader ingediende verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing die hem door de gecertificeerde instelling (GI) was opgelegd.

In de uitspraak overweegt de kinderrechter onder meer:

Ik schrijf dit allemaal op, want als ik hier goed over nadenk en bedenk hoe dit in jullie gezin werkt, dan is het voor mij heel moeilijk om me voor te stellen dat jullie over jullie moeder denken en zeggen dat zij het niet meer goed kan maken, dat zij niet kan worden vergeven. En dat dit een idee of gevoel is dat vanuit jullie zelf, in jullie zelf is ontstaan.

Natuurlijk kan in een gezin, zeker in een situatie van echtscheiding de balans tussen ouders en kinderen, de balans van geven en krijgen, verstoord raken. Maar ik ben ervan overtuigd dat dit ook kan worden hersteld.

En niet alleen vanuit de theorie van Nagy, maar ook vanuit de lessen die je uit het christelijk geloof, uit de bijbel kunt leren. Kun je als christen over een ander mens zeggen dat ze iets onvergeeflijks heeft gedaan? Of is juist de boodschap van Jezus dat iedereen kan worden vergeven, ook zonder erom te vragen? En is vergeving niet juist een cadeau aan jezelf en niet aan een ander? Kan vergeving niet de ruimte geven aan jezelf om verder te gaan en de wond te genezen die je hebt opgelopen?

[…]

Die situatie is er nu, tussen jullie allen helaas, nog niet. Ik kan daarom nu geen verstandige beslissing nemen over de (balans in de) omgang tussen jullie en jullie vader en moeder en zal het verzoek van jullie vader op dit punt afwijzen.

Deze uitspraak wekt verwondering. Niet alleen richt de kinderrechter zich rechtstreeks tot de kinderen, maar hij baseert zich in zijn beschikking op uitspraken van Jezus over vergeving en de theorie van Nagy, in plaats van op rechtsbronnen zoals art. 8 lid 2 EVRM, art. 19 IVRK, de Jeugdwet, of titels 1.14 BW (het gezag over minderjarige kinderen) en 1.15 BW (omgang en informatie).

In deze blog leg ik uit waarom deze kinderrechter zijn oordeel niet op de Bijbel had mogen baseren.

Verder laat ik zien hoe een subjectieve mening over ‘ouderverstoting’ een eigen leven kan gaan leiden als noch de jeugdzorg, noch de kinderrechter aan waarheidsvinding doet. Ouders en kinderen komen daardoor klem te zitten in de raderen van de kinderrechtspraak.

Ook licht ik toe waarom een rechter zich niet rechtstreeks tot de kinderen mag richten (en dus ook niet mag schrijven in ‘kindertaal’), en waarom het onwenselijk is dat dit in de praktijk niettemin steeds vaker gebeurt.

Schending van de vrijheid van godsdienst (art. 6 Grondwet)

De uitspraak van deze kinderrechter is in strijd met de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging in art. 6 Grondwet.

Art. 6 Grondwet is een zgn. ‘klassiek grondrecht’. Anders dan de zgn. ‘sociale grondrechten’ (waarvan bijv. art. 22 Grondwet een aantal voorbeelden bevat), strekken de klassieke grondrechten primair tot staatsonthouding. Eenvoudig gezegd, verwijzen de klassieke grondrechten naar bepaalde vrijheden waar de overheid zich niet mee mag bemoeien, tenzij daar een goede grond voor bestaat.

De overheid mag jou als burger dus bijvoorbeeld geen religieuze denkbeelden opdringen. Dat lijkt in deze uitspraak wel te gebeuren. De rechter lijkt tot dusver in elk geval de vrijheid van godsdienst te schenden met deze uitspraak.

Inbreuk op de scheiding van kerk en staat

Het gaat echter nog een heel stuk verder dan ‘alleen maar’ een schending van de vrijheid van godsdienst. De kinderrechter heeft hier een inbreuk gepleegd op de scheiding van kerk en staat.

De grondslag voor de scheiding van kerk en staat is in Nederland ongeveer gelegd in 1798 toen in de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk in de Bataafse Republiek alle geloofsgemeenschappen voor de wet gelijk werden gesteld. Daarmee verviel goeddeels de bevoorrechte positie van wat nu de Nederlands Hervormde Kerk is. Tijdens Napoleon werd in 1811 de burgerlijke stand ingevoerd, waarmee voortaan de overheid de registratie van de bevolking bijhield in plaats van de kerk. In 1848 bepaalde de Grondwet dat de overheid geen concordaten meer mocht sluiten met het Vaticaan, waarmee aanhangers van het rooms-katholicisme vrij waren om het kerkelijk bestuur zelf te regelen. In 1893 ging een vergelijkbare regeling gelden voor de Nederlands Hervormde Kerk.

Het beginsel van de scheiding van kerk en staat is, kortom, een geleidelijk proces geweest, en heeft intussen te gelden als een fundamenteel uitgangspunt voor een democratische rechtsstaat. De scheiding van kerk en staat is zo vanzelfsprekend in een democratische rechtsstaat, dat deze niet eens apart vermeld wordt in de Grondwet.

In het burgerlijk recht zie je overigens iets vergelijkbaars met de contractsvrijheid. Dat iedere burger met een ander – binnen de grenzen van wat de wet en de openbare orde toelaten – een overeenkomst mag aangaan, is nergens vastgelegd. Dat hoeft ook helemaal niet. Het volgt gewoon uit het ‘systeem’ van het burgerlijk recht, en is daarmee zo vanzelfsprekend dat het niet eens nodig zou moeten zijn om het ergens vast te leggen.

Op dezelfde manier is ook de scheiding van kerk en staat zo vanzelfsprekend in een rechtsstaat, dat je die eigenlijk nergens zou hoeven vastleggen. Het volgt logischerwijs uit het systeem van de democratische rechtsstaat en ligt daaraan deels ook ten grondslag.

Geen waarheidsvinding

Waarom de rechter blijkbaar niettemin de Bijbel in plaats van de Nederlandse wet ten grondslag heeft willen leggen aan zijn uitspraak over de UHP, vindt waarschijnlijk zijn grondslag in hetgeen de rechter elders in de uitspraak stelt:

Ik heb zelfs gelezen in een verslag van [hulpverlener Netwerk-Pluz] (die de omgang een tijd heeft begeleid) dat (iemand van) jullie zou(den) hebben gezegd dat jullie moeder ‘onvergeeflijke zonden heeft begaan en daardoor verantwoordelijk is voor al het leed dat jullie is aangedaan’ en dat zij ‘alle tien geboden uit de bijbel heeft overtreden en dat daarvoor geen vergeving is’. Ik heb uit het dossier begrepen dat het christelijk geloof belangrijk voor jullie gezin is. Deze woorden triggerden mij daarom.

Terzijde: Netwerk-Pluz is een van de vele jeugdzorginitiatieven die sinds de decentralisering van de jeugdzorg in 2015 zijn opgekomen, de zgn. zorgcowboys die intussen onderwerp van onderzoek zijn geweest door o.a. Follow The Money.

Ik heb de betrokken vader benaderd om zijn reactie of het christelijk geloof inderdaad belangrijk was voor het gezin. De reactie van vader luidt:

Ja, het christelijk geloof is belangrijk voor ons. Maar [Netwerk-Pluz] heeft dat de kinderen niet zelf horen zeggen. Ik herken mijn kinderen in dit soort uitspraken niet, en bovendien werp ik de suggestie dat ik de kinderen dit zou hebben ingefluisterd, verre van mij. Zelfs al zouden de kinderen deze uitspraak gedaan hebben, was dat wel in de context dat zij al zo’n twee maanden uit huis geplaatst waren, gescheiden waren van alle voor hen veilige hechtingsfiguren en we op geen enkele wijze contact met elkaar mochten hebben.

Ik vermoed dat [Netwerk-Pluz] heeft geciteerd uit een rapport uit 2018, dat is geschreven door iemand van Jeugdhulp Friesland. Daar heb ik een paar gesprekken mee gevoerd in het kader van IAG (intensieve ambulante gezinshulp). Die man heeft één keer een kwartiertje met de kinderen gesproken (in oktober 2018), en die zou in dat gesprek dus die reactie van de kinderen gehoord hebben. 

Hoe het ook zij, ter zitting (maart 2021) gaf de kinderrechter voorafgaand aan de zitting aan met de kinderen te hebben gesproken, een en ander conform hun hoorrecht. Maar, de kinderrechter merkte ter zitting op dat de kinderen slechts 14 en 12 jaar oud waren en dus überhaupt geen mening zouden kunnen hebben, en dat dit ook nog wel een jaartje of tien zou duren.

Het rapport van [Netwerk-Pluz] waar de kinderrechter naar verwijst, dateert van november 2019. Het is voor mij onbegrijpelijk dat de kinderrechter een uitspraak die de kinderen, onder schrijnende omstandigheden, gedaan zouden hebben, uitvergroot in een beschikking die bijna anderhalf jaar later wordt gewezen. Temeer nu de kinderrechter ter zitting zelf aangaf dat kinderen van 14 en 12 jaar oud geen mening kunnen hebben.

Het gaat hier kennelijk om de perceptie van een medewerker van Jeugdhulp Friesland, die – op basis van summier onderzoek in een kindgesprek – in 2018 een rapport heeft opgesteld. Dat rapport uit 2018 is op het bureau van een medewerker van Netwerk-Pluz terechtgekomen, die de uitspraak van haar collega vervolgens heeft overgenomen in haar eigen verslag. Ik heb deze gang van zaken weergegeven in het diagram hiernaast.

Tekening3

De rechter vermeldt in zijn rechtsoverweging nergens een vindplaats, maar beperkt zich tot de vermelding “Ik heb […] gelezen in een verslag […] dat (iemand van) jullie zou(den) hebben gezegd dat […]”. Uit de haakjes in dit citaat wordt al duidelijk dat de rechter aarzelt of één van de kinderen, of beide, dit zouden hebben gezegd. Kennelijk heeft de kinderrechter het op herinnering opgeschreven.

Dit gegeven, in combinatie met het ontbreken van een duidelijke bronvermelding in de uitspraak, en de verklaring van de betrokken vader die aan LLM Legal weet te vertellen dat het om een verklaring gaat ‘van iemand die iemand anders heeft horen zeggen dat de kinderen iets gezegd zouden hebben’ (een soort getrapte ‘de auditu-verklaring’ dus), doet mijns inziens toch twijfels rijzen over de vraag of het te rechtvaardigen is dat de rechter er hier voor kiest om een uitspraak over de uithuisplaatsing van kinderen te doen onder verwijzing naar uitspraken van Jezus over vergeving. Het lijkt immers in strijd met het klassieke grondrecht van art. 6 Grondwet, dat immers de strekking heeft dat de overheid zich niet actief met iemands godsdienst of levensovertuiging mag inlaten.

Schending van art. 24 jo 149 lid 1 Rv (partijautonomie)

Evenmin wordt duidelijk waarom de contextuele theorie van Nagy een rol zou mogen spelen bij de beslissing om de kinderen van de vader te scheiden. Sterker nog, geen van de betrokken partijen heeft Nagy zelfs maar genoemd: noch vader, noch moeder, noch hun advocaten, noch de GI. De rechter brengt dit feit zelf voor het eerst ter sprake in de volgende rechtsoverweging:

Want ik heb in de bijna zes jaren dat ik nu kinderrechter ben, veel geleerd over de ontwikkeling van kinderen/jongeren, over hechting tussen kinderen en ouders en over de loyaliteit van kinderen aan hun ouders. Over dit laatste punt heeft een van oorsprong Hongaarse professor/psychiater veel nagedacht en geschreven. Zijn naam is Iván Nagy. Hij is de bedenker van wat heet: ‘contextuele therapie’. Best een moeilijke theorie zit daarachter, maar één belangrijk punt daaruit is wat hij over kinderen schrijft: “Kinderen krijgen van hun ouders het leven en daarom zijn zij en hun ouders onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dat jij het leven krijgt van jouw ouders is zo’n groot cadeau, dat jij als kind daarvoor iets terug wilt geven aan jouw ouders. Hij noemt dit ook wel ‘zijnsloyaliteit’. Ook als ouders, of één van beide ouders niet fysiek aanwezig kan zijn in het opvoeden van kinderen, dan nog blijven de ouders of die ouder in jouzelf als kind aanwezig.”

Het lijkt erop dat de rechter hiermee het beginsel van partijautonomie heeft geschonden. De partijautonomie staat in art. 24 Rv, in de derde afdeling van boek 1 Rv bij de ‘Algemene voorschriften voor procedures’, en behoort tot de uitgangspunten van het bewijsrecht. Er bestaat geen speciale uitzondering voor verzoekschriftprocedures over omgang en gezag, zodat het ook daar onverkort van kracht is. Het beginsel van partijautonomie houdt kortweg in dat de rechter niet zelf uit eigen beweging (ambtshalve) de feiten mag aanvullen. De partijen bepalen de omvang van de rechtsstrijd, en niet de rechter. In dit verband wordt de rechter lijdelijk genoemd: hij doet zelf niet actief aan waarheidsvinding maar gaat uit van datgene waar partijen mee aankomen.

Andere uitspraken van dezelfde kinderrechter

Het gebeurt vaker dat deze specifieke kinderrechter bepaalde religieuze opvattingen ventileert in een rechterlijke uitspraak, waarbij hij uit de Bijbel citeert. Zie vooral ECLI:NL:RBNNE:2019:2313. In die uitspraak laat deze kinderrechter zich als volgt uit:

“Gelet op de actieve religieuze beleving die ouders (ten overstaan van de deskundige) zeggen te hebben en hun beider wens om de kinderen ook met die notie en die beleving te willen opvoeden, werpt de vraag zich op of (hernieuwde) aandacht voor een eeuwenoud verhaal, in het evangelie volgens Matteüs bekend onder ‘de gelijkenis van de splinter en de balk’, de man en de vrouw wel op een positieve manier in beweging kan krijgen. Kan Jezus dan een spiegel voorhouden? Want, waar gaat het om?
[1] ‘Met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.’Matteüs 7:2

Hoe je naar jezelf kijkt, bepaalt hoe je naar de ander kijkt.We kennen het principe van ‘wat je zegt ben je zelf’, of ‘wie met een vinger naar de ander wijst, wijst met vier vingers naar zichzelf’. Eigenlijk zeggen we: oordeel je over de ander, dan oordeel je over jezelf. Maar het is ook andersom: zolang je jezelf nog oordeelt, zul je de ander blijven oordelen.Jezus vergelijkt veroordeling met een balk en een splinter. Hier spreekt de timmermanszoon.
‘Waarom kijk je naar de splinter in het oog van je broeder of zuster, terwijl je de balk in je eigen oog niet opmerkt?’ (Matteüs 7:3).
Als je met veroordeling naar de ander kijkt (je ziet een splinter), blijkt daaruit dat je jezelf nog veroordeelt (je loopt zelf met een balk rond). Je merkt dat probleem echter niet op, want je denkt dat je recht van spreken hebt. Maar je zou beter moeten weten.
‘Hoe kun je tegen hen zeggen: “Laat mij de splinter uit je oog verwijderen,” zolang je nog een balk in je eigen oog hebt?’ (Matteüs 7:4).
Zolang je de ander blijft oordelen, houd je jezelf voor de gek: je veroordeelt jezelf daarmee.
‘Huichelaar, verwijder eerst de balk uit je eigen oog, pas dan zul je scherp genoeg zien om de splinter uit het oog van je broeder of zuster te verwijderen’ (Matteüs 7:5).
Veroordeel je jezelf niet langer, dan ga je de ander zien zoals je jezelf ziet. Ook die is geliefd en gerechtvaardigd. Nu kun je hem of haar vergeven en vrijspreken uit het oordeel.”

Dit roept de nodige vragen op. Wat als deze kinderrechter ouders voor zich krijgt die geen christen zijn, maar moslim? Citeert hij dan uit de Koran? Wat als een ouder het atheïsme aanhangt? Betrekt de kinderrechter dan uitspraken uit The God Delusion van Richard Dawkins in zijn rechtsoverwegingen? Wat doet de kinderrechter in een procedure van een rooms-katholieke ouder tegen een ‘heidense’ wederpartij?

Deze voorbeelden laten zien welke vragen je als rechter zou moeten stellen op het moment dat de scheiding van kerk en staat inderdaad niet langer zou hoeven te worden gehandhaafd in uitspraken van kinderrechters.

Vader zit klem in het systeem van de kinderrechtspraak

Om deze uitspraak van de kinderrechter beter te begrijpen, is enige context nodig. In 2019 moest de kinderrechter zich buigen over de vraag waar het definitieve hoofdverblijf van de kinderen moest worden bepaald: bij vader of bij moeder. De kinderrechter droeg de Raad voor de Kinderbescherming op om hiernaar een spoedonderzoek te doen. De Raad adviseerde om het hoofdverblijf bij de vader te bepalen. De toenmalige GI en een onafhankelijke pedagoog adviseerden eveneens om het hoofdverblijf bij de vader te laten.

Tot ieders verrassing bepaalde de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen desondanks bij de moeder, omdat er sprake zou zijn van “ouderverstoting”. Daarmee ging de rechter dus lijnrecht in tegen alle adviezen. Een onderbouwing met objectieve feiten werd niet gegeven.

De uitspraak werd destijds op 18 september gewezen. Op 19 september werden de kinderen naar de moeder gebracht. Dit was van korte duur: vijf dagen later werden de kinderen uit huis geplaatst. Maar omdat de kinderrechter meende dat er sprake zou zijn van “ouderverstoting” en daarbij de GI verplichtte om die beschikking uit te voeren, werden de kinderen – zonder dat de vader het wist – in een gezinshuis ondergebracht. De rechtbank verplichtte de GI hiermee om lijnrecht tegen het door henzelf gegeven advies in te gaan handelen.

In het gezinshuis mochten zij geen enkel contact met hun vader hebben. Naderhand werden zij vanuit het gezinshuis naar een voor vader geheime plek overgebracht. Hoe de kinderen dit allemaal hebben ervaren, is te lezen in rechtsoverweging 4 van de kinderrechter:

Jullie hebben mij verteld dat jullie in een heel moeilijke situatie zitten. Jullie wonen op een geheime plek en kunnen en mogen met bijna niemand contact hebben. Jullie mogen geen gebruik maken van internet. Jullie kunnen niet naar school, maar kunnen ook niet online-les volgen. Jullie krijgen wel huiswerk van school en dat kunnen jullie inleveren en dan wordt het nagekeken. Naar het gezinshuis, waar jullie eerder hebben gewoond, kun jullie niet terug, omdat het daar niet meer veilig was. Jij hebt mij verteld [kind 1] dat jullie daar werden mishandeld en dat één van de gezinshuisouders bij [kind 2] op de kamer is gekomen terwijl zij zich omkleedde. Jij hebt mij ook verteld [kind 1] , dat je een tijdje echt depressief bent geweest, en misschien nog steeds wel.

Intussen had het hoger beroep over de wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen nog steeds niet plaatsgevonden. Vader had gevraagd om beide zaken (dus de beëindiging van de uithuisplaatsing en de wijziging van het hoofdverblijf naar vader) gevoegd te behandelen, wat natuurlijk wel in de lijn der logica had gelegen. Daar wilde het Hof echter niet aan: eerst moest de uithuisplaatsing worden behandeld, en daarna pas de wijziging van het hoofdverblijf. Om toch de kinderen weer bij zich thuis te kunnen hebben – wat geheel in lijn lag met alle adviezen, waaronder dat van de Raad voor de Kinderbescherming en een onafhankelijke pedagoog – moest vader dus noodgedwongen vragen om dan maar 99,9% van de omgangstijd van de kinderen bij hem te bepalen.

Tegen die achtergrond moet dan ook de vermelding van de kinderrechter in rechtsoverweging 3, aanhef en onder ‘b’ worden gelezen:

Zij hebben mij gevraagd de volgende beslissingen te nemen:
[…]
te bepalen dat jullie, samen met jullie jongere zus [kind 3] , weer omgang met jullie vader mogen hebben en dat dit voor 99,9% van de tijd geldt; dat zou betekenen dat jullie (samen met [kind 3] ), als je dat zou omrekenen naar een jaar, 1x per jaar een paar uurtjes contact met jullie moeder zouden kunnen hebben;

De kinderrechter maakt er dus een punt van, alsof vader alles en iedereen zijn wil zou willen opleggen, de moeder buitenspel zou willen zetten, en zich aldus schuldig zou maken aan “ouderverstoting”. Maar de werkelijkheid is dat vader niet anders kon, omdat het Hof om haar moverende redenen geen gehoor had gegeven aan het verzoek om de zaak over de beëindiging uithuisplaatsing en de zaak over de wijziging hoofdverblijf gevoegd te behandelen. Vader ‘moest’ dus wel vragen om 99,9% van de omgangstijd bij hem te bepalen. Dat verzoek lag ook in het verlengde van de eerdere adviezen van – onder andere – de Raad voor de Kinderbescherming, en was de facto de enige manier om op die manier de uithuisplaatsing te kunnen beëindigen.

Schending art. 3.3 Jeugdwet

De kinderrechter richt zich in zijn uitspraak rechtstreeks tot de kinderen zelf, en houdt hen daarbij het volgende voor:

Het is onterecht dat jullie vader en zijn advocaat hebben gezegd dat de GI / [de gezinsvoogd] op dit punt heeft gelogen of onware dingen heeft geschreven. Dat hebben ze niet kunnen onderbouwen en ik vind het kwalijk dat zij zo over de GI en [de gezinsvoogd] hebben gesproken! Niet alleen voor haar en haar collega’s, maar ook omdat ze jullie daarmee het verkeerde (voor)beeld geven.

Waar het hier over gaat, is een incident waarbij de GI ter zitting stelde dat er “briefjes” zouden zijn gevonden waaruit zou blijken dat de kinderen stiekem – en buiten de begeleiding om – contact zouden hebben gehad met hun vader. De kinderrechter heeft niet naar het bewijs gevraagd. Na een klachtgesprek in september 2021 ontving de vader van de GI een schriftelijke verklaring waarin werd aangegeven dat die “briefjes” helemaal niet bestonden.

De kinderrechter is er, kortom, enkel op aanwijzing van de GI zelf en zonder art. 150 Rv toe te passen (hetgeen kortweg neerkomt op: wie stelt, bewijst), van uitgegaan dat de GI wel de waarheid zou spreken en heeft de bewijslast omgekeerd. Naderhand bleek het de GI te zijn die art. 3.3 Jeugdwet had geschonden en onware informatie in het geding had gebracht, maar het kwaad was toen al geschied.

Voor wat betreft het rapport van Netwerk-Pluz valt op dat de kinderrechter (schijnbaar selectief) een passage aanhaalt over iets wat de kinderen in 2018 gezegd zouden hebben. Daarbij slaat hij echter geen acht op andere passages uit datzelfde rapport, waarin diezelfde jeugdzorgmedewerker vastlegt dat een van de kinderen heeft gezegd dat vader ook altijd heeft gezegd dat hij het belangrijk vindt dat de kinderen contact met hun moeder hebben, en dat zij hoopte op een wat normaler contact met de moeder in de toekomst.

Dat betekent, kortom, dat de kinderrechter uit één en hetzelfde document twee signalen had kunnen lezen die lijnrecht tegenover elkaar stonden. Het geeft te denken dat hij dan één van die twee signalen uitvergroot en het andere onvermeld laat.

Alleen al uit deze concrete voorbeelden wordt pijnlijk duidelijk hoezeer het regelmatig misgaat in de kinderrechtspraak, en hoe ouders volkomen klem kunnen komen te zitten in het systeem. Een niet-gefundeerde vermelding over “ouderverstoting” komt terecht in een procesdossier, en gaat vanaf dat moment een eigen leven leiden, als gevolg waarvan ouders en kinderen soms jarenlang ten onrechte van elkaar worden gescheiden.

Uitspraak in kindertaal

Het is de vraag of de wet ergens een aanknopingspunt biedt om een uitspraak te doen in kindertaal.

Een uithuisplaatsing (UHP) of ondertoezichtstelling (OTS) gebeurt door een beschikking van de kinderrechter op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming, de gecertificeerde instelling (GI) of het Openbaar Ministerie. In dit geval kwam het verzoek van de betrokken GI.

In art. 287 Rv is geregeld aan welke eisen een beschikking van de rechter moet voldoen. Art. 287 Rv verklaart art. 230 leden 1 en 3 Rv van overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures. Het antwoord zullen we daar dus moeten vinden.

Art. 230 lid 1 Rv bevat een opsomming van wat er in het vonnis dient te worden vermeld. Weliswaar is een beschikking niet hetzelfde als een vonnis, maar dat is in de praktijk geen probleem omdat in art. 287 Rv is bepaald dat dezelfde opsomming ook voor een beschikking geldt. De opsomming in art. 230 lid 1 Rv is beperkt tot essentiële onderdelen zoals de namen en de woonplaats van partijen, het verloop van het geding, de gronden van de beslissing, de naam van de rechter, en de dag van de uitspraak.

Hiermee is gelijk de vraag beantwoord of het voor de kinderrechter is toegestaan om zich in kindertaal uit te drukken, en om zich rechtstreeks tot de kinderen te richten. In deze opsomming staat namelijk nergens een aanknopingspunt op basis waarvan de rechter zich tot de kinderen zou mogen richten. Een uitspraak van de rechter is bedoeld voor de partijen die hem om die uitspraak vragen, en niet voor derden die geen (on)middellijk procespartij zijn, zoals de kinderen.

Kortom: nee, het mag niet. Een kinderrechter die zich rechtstreeks tot de kinderen richt, trekt daarmee een bepaalde mate van vrijheid naar zich toe die hij op grond van de wet niet heeft, en die bovendien niet de bedoeling is geweest van de wetgever.

Het is bovendien onwenselijk, omdat de kinderrechter de betrokken kinderen hiermee ongevraagd belast met volwassenenproblematiek. De kinderrechter kiest hier de kant van één van beide ouders, en belast de kinderen met de taak om die ouder te “vergeven”, waarbij hij dan aan een bepaald religieus gevoel appelleert. Dit moet je als kinderrechter niet willen doen. Laat dit over aan de ouders zelf; en als die er samen onvoldoende uit komen, aan ter zake gekwalificeerde professionals, die daarbij uitgaan van waarheidsvinding, die het wettelijk normenkader respecteren, en die het belang van de kinderen altijd voorop stellen.

De wet geeft evenmin ergens een aanknopingspunt voor het schrijven in kindertaal. Bovendien: zelfs al zou een rechter zich niet in letterlijke zin tot de kinderen richten, dan doet hij dat in feite nog steeds op het moment dat hij zijn uitspraak in kindertaal formuleert. Die kindertaal is dan naar zijn aard bedoeld om de betrokken kinderen een boodschap mee te geven. Dan gelden precies dezelfde bezwaren.

Het is bovendien helemaal niet de taak van de rechter om zijn uitspraak aan de rechtszoekenden en hun kinderen uit te leggen. Dat is de taak van hun advocaat. De rechter moet gewoon recht spreken, en meer niet. Al het ‘meerdere’ is eigenlijk per definitie in strijd met zijn kerntaak als rechter.

Op de website Recht Voor Jou is onder het kopje “Zelf een verzoek indienen bij de rechter” een voorbeelduitspraak van een kinderrechter gepubliceerd. Het gaat om een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2017:1541). Dit is dus nadrukkelijk juist niet de bedoeling, en het is dan ook merkwaardig dat De Rechtspraak uitgerekend deze uitspraak presenteert als een ‘goed voorbeeld’ van wat je als kind zou kunnen verwachten als je je tot de kinderrechter wendt. Het is geen ‘goed voorbeeld’, maar een voorbeeld van iets wat juist niet de bedoeling is.

Tot besluit

Natuurlijk ziet een uitspraak in kindertaal er sympathiek uit, en komt het betrokken en empathisch over op iemand die zich verder niet in de onderliggende zaak heeft verdiept en de regels van het burgerlijk procesrecht wellicht niet in ieder opzicht beheerst. De kinderrechter die de uitspraak heeft gewezen, heeft vanuit het publiek dan ook de nodige bijval gekregen, en ook heeft onder meer de Leidse hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning zich er in positieve zin over uitgelaten.

De werkelijkheid achter deze uitspraak is evenwel een andere. De kinderrechter heeft met deze uitspraak onder meer de vrijheid van godsdienst geschonden, en de scheiding van kerk en staat doorkruist.

Over het optreden van de kinderrechter die in zijn uitspraak over de uithuisplaatsing van twee kinderen onder meer de scheiding van kerk en staat heeft doorkruist, is op 5 oktober 2021 een art. 26 RO-klaagschrift uitgegaan naar mr. A.R. (Fred) van der Winkel, de huidige president van de rechtbank Noord-Nederland. Van der Winkel heeft niet binnen de door de wet bepaalde termijn gereageerd, en de volgende stap is nu om het, in de vorm van een art. 13a RO-verzoekschrift, aan de procureur-generaal van de Hoge Raad te zenden.

Over deze (relatief weinig toegepaste) procedure, die in afdeling 1a van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) is neergelegd, verschijnt binnenkort een aparte blog op de site van LLM Legal. Een voorbeeld van die procedure is te vinden in de Chipshol-affaire, waar een in opspraak geraakte rechter er destijds mee te maken kreeg. Een ander voorbeeld stamt uit 1991, toen een kinderrechter door de Hoge Raad werd veroordeeld tot een berisping vanwege haar optreden in de destijds spraakmakende Sandy Molenberg-affaire.

Het komt mij voor dat de manier waarop kinderrechters met de rechten van ouders en hun kinderen omspringen, steeds meer onhoudbaar begint te worden. Ik ben ervan overtuigd dat het systeem in zijn huidige vorm zijn langste tijd intussen heeft gehad.

Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal

Nieuwste blogs

Populairste blogs

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print