Getuigenverhoor en contra-enquête

[vc_row][vc_column][vc_column_text]Toetsterm 14 van de toetstermen Major Burgerlijk Recht (Beroepsopleiding Advocaten) luidt:

“De stagiaire kan de wettelijke regeling omtrent het horen van getuigen beschrijven.”

Maar hoe werkt dit precies en welke vragen kun je hierover verwachten? In deze blog gaan we hier nader op in en maak je kennis met één van de grootste valkuilen op dit gebied, een fout die veel gemaakt wordt op het tentamen.

De procedure voor het getuigenverhoor en de contra-enquête is geregeld in de artikelen 163 t/m 185 Rv. Het gaat dus om een betrekkelijk kleine afdeling en onze ervaring leert: het loont de moeite om dit stukje wetgeving tenminste één keer integraal te hebben doorgelezen (dus rechtstreeks uit je wettenbundel).

Wanneer worden getuigen toegelaten?

Het criterium voor het toelaten van getuigen haal je letterlijk uit art. 166 lid 1 Rv. Hier geldt dan ook nadrukkelijk een verbod op ‘hineininterpretieren’: wat er letterlijk staat in art. 166 lid 1 Rv, is van toepassing. Wat er niet staat, is niet van toepassing. Zolang je art. 166 lid 1 Rv dan ook mechanisch (als een algoritme) toetst zonder er dingen in te lezen die er niet letterlijk staan, zit je in de meeste gevallen veilig.

Art. 166 lid 1 Rv:

“Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor zo vaak een van de partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.”

Kortom:

  • het getuigenverhoor vindt plaats op verzoek van een der partijen;
  • de rechter kan ook ambtshalve een getuigenverhoor gelasten;
  • dit kan alleen als de feiten waarvan het bewijs wordt geleverd door middel van het getuigenverhoor, betwist zijn;
  • en het kan alleen als de feiten tot de beslissing van de zaak kunnen leiden (met andere woorden: de feiten zijn van doorslaggevend en niet van ondergeschikt belang).

Met name dit laatste onderdeel van art. 166 lid 1 Rv brengt mee dat er een specificatievereiste geldt voor een bewijsaanbod door middel van getuigen. Een te algemeen bewijsaanbod zal in veel gevallen door de rechter worden gepasseerd (niet in alle gevallen, maar het risico is wel reëel). Dit mag dus nadrukkelijk niet:

“Eiser biedt aan al zijn stellingen te bewijzen met alle middelen rechtens, meer in het bijzonder door middel van getuigen.”

Het is dus de bedoeling om de te bewijzen feiten zo concreet mogelijk te beschrijven en de te horen getuigen zo expliciet mogelijk te noemen. Hoe concreter het bewijsaanbod, hoe minder snel het gepasseerd zal worden.

Wanneer mag je getuigen oproepen in hoger beroep?

Het uitgangspunt in hoger beroep is de schakelbepaling van art. 353 lid 1 Rv:

“Voor zover uit deze titel dan wel uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is de tweede titel in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat partijen slechts bij advocaat kunnen procederen, dat artikel 131 niet van toepassing is en dat geen eis in reconventie kan worden ingesteld.”

Aangezien geen van de genoemde uitzonderingen zich hier voordoet, betekent dat dat art. 166 lid 1 Rv onverkort van toepassing is in hoger beroep. Daarmee is echter nog niet alles gezegd. In tegenstelling tot veel andere landen kent Nederland geen juryplicht. Dat betekent dat Nederlandse burgers het in zoverre gemakkelijker hebben. Een van onze verplichtingen in ons rechtssysteem is echter wel het afleggen van een getuigenverklaring. Daar kom je normaal gesproken niet snel onderuit.

Rekening houdend met de tijd die op die manier van een getuige wordt geclaimd, betekent dat dat er in hoger beroep aanvullende regels gelden, zeker als de getuige al een keer eerder is komen opdragen. Je kunt niet zomaar twee keer beslag leggen op iemands kostbare tijd.

De Hoge Raad heeft hiervoor een duidelijk criterium geformuleerd in rechtsoverweging 3.6 van het arrest Export Planten BV / Roozen Holland (HR 9 juli 2004, NJ 2005, 270):

“In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen […]. Indien reeds getuigen zijn gehoord of schriftelijke verklaringen van getuigen zijn overgelegd, zal de eis dat het bewijsaanbod voldoende specifiek en ter zake dienend moet zijn, kunnen meebrengen dat nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.”

Voor getuigen die reeds zijn gehoord, geldt in hoger beroep dus de aanvullende eis dat moet worden aangegeven “in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.”

Onthoud de mantra voor je tentamen: “dezelfde getuige in hoger beroep = meer of anders.”

De contra-enquête

De contra-enquête is geregeld in art. 168 Rv en houdt in dat als de ene partij is toegelaten tot bewijslevering door middel van een getuige, de andere partij deze getuige eveneens vragen mag stellen. Het is niet nodig dat de wederpartij daartoe een zelfstandig bewijsaanbod heeft gedaan. NB: dit is een uitzondering op de hoofdregel dat in alle (overige) gevallen van tegenbewijs, wel degelijk een bewijsaanbod nodig is.

Het specificatievereiste in de contra-enquête

Hoe zit het nu eigenlijk met het specificatievereiste? Geldt dat ook voor de contra-enquête?

Het antwoord in eerste aanleg is eenvoudig: nee. Maar hoe zit het in hoger beroep?

In hoger beroep is het uitgangspunt dat er evenmin een specificatievereiste geldt bij de contra-enquête. Maar je raadt het al: hier geldt een uitzondering. Als het bewijsaanbod is gericht op het leveren van tegenbewijs door dezelfde getuige in hoger beroep opnieuw te horen in aanvulling op het tegenbewijs dat je in eerste aanleg al hebt geleverd door deze getuige te verhoren in contra-enquête, dan zal je het bewijsaanbod nader moeten toelichten. Je moet dan alsnog aangeven waarom je deze getuige opnieuw wilt horen (wat kan deze getuige meer of anders verklaren dan in eerste aanleg het geval is geweest?).

Stel nu dat zich de volgende situatie voordoet. Getuige X wordt in eerste aanleg gehoord door partij A met een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod. Partij B hoort getuige X in contra-enquête, zonder specificatievereiste. Tot dusver duidelijk.

Vervolgens gaan partijen in hoger beroep (het doet er nu even niet toe wie in principaal appel gaat en of er een incidenteel appel is). Partij A wil getuige X opnieuw horen. Hij moet opnieuw doen aan het specificatievereiste, en bovendien moet hij toelichten waarom getuige X meer of anders zal kunnen verklaren dan hij in eerste aanleg heeft gedaan. Partij B wil getuige X horen in contra-enquête om aanvullend tegenbewijs te leveren. Voor partij B geldt nu hetzelfde specificatievereiste: getuige X heeft in eerste aanleg al een verklaring afgelegd, en wat zou het opnieuw horen van getuige X in contra-enquête voor nieuws kunnen opleveren (met andere woorden: wat zou getuige X anders en meer kunnen verklaren dan in de contra-enquête in eerste aanleg)?

Wat nu als partij B getuige X wil horen in contra-enquête, maar niet om aanvullend tegenbewijs te leveren, maar eenvoudigweg omdat hij de stellingen van zijn wederpartij wil ontkrachten en niets meer dan dat? Dan geldt de hoofdregel weer: voor partij B geldt geen specificatievereiste. Getuige X is er toch al, vanwege het getuigenverhoor door partij A, en hem kunnen dus ook vragen worden gesteld door partij B.

Wat wordt er hier bedoeld met “aanvullend” tegenbewijs? Stel, in eerste aanleg had partij A de bewijslast van het bestaan van een koopovereenkomst van een auto. Daartoe heeft partij A getuige X opgeroepen. Partij B heeft hem vragen gesteld in de contra-enquête. Stel dat in hoger beroep partij A opnieuw dezelfde bewijslast heeft en opnieuw getuige X oproept, waarbij hij voldoende duidelijk maakt wat X meer of anders kan verklaren dan in eerste aanleg. Als partij B vervolgens de stelling van partij A wil ontkrachten (“nee, er was geen koop afgesproken”), kan hij hem dan probleemloos vragen stellen in contra-enquête. Maar als partij B aanvullend bewijs wil leveren (door getuige X te vragen: “klopt het dat u naderhand een vaststellingsovereenkomst heeft getekend waarin stond dat partijen elkaar niets verschuldigd zijn?”), zal hij wel van tevoren kenbaar moeten maken om welk aanvullend bewijs het gaat (“een vaststellingsovereenkomst”) en waarom het belangrijk is dat deze getuige daarover wordt bevraagd.

Nu kunnen we het nog ingewikkelder maken. We gaan uit van dezelfde casus, maar in hoger beroep draaien we de situatie om. Nu is het partij B die getuige X wil oproepen en niet partij A. Dat geldt niet als een contra-enquête maar de hoofdregel in hoger beroep voor het opnieuw oproepen van dezelfde getuige geldt ook hier. Dus partij B zal moeten verklaren wat getuige X anders en meer zal kunnen verklaren dan hij in eerste aanleg heeft gedaan in de contra-enquête. Als partij A getuige X vervolgens in contra-enquête wil horen voor het leveren van aanvullend bewijs, geldt hetzelfde specificatievereiste weer: partij A zal moeten toelichten wat getuige X anders en meer zal kunnen verklaren in de contra-enquête in hoger beroep, vergeleken met wat hij in eerste aanleg tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard. Gaat het niet om aanvullend bewijs maar wil partij A de stellingen van partij B simpelweg ontkrachten, geldt er in beginsel geen specificatievereiste.

Kort samengevat

  • Eerste aanleg: voor het getuigenverhoor geldt een specificatievereiste. Voor de contra-enquête niet.
  • Hoger beroep: voor het getuigenverhoor geldt een specificatievereiste en je moet aangeven wat de getuige meer of anders zal kunnen verklaren dan in eerste aanleg. Voor de contra-enquête geldt geen specificatievereiste, maar wel als het gaat om het leveren van aanvullend bewijs.
llm legal blog getuigenverhoor art 170 Rv specificatievereiste hoger beroep getuige getuigenverklaring contra enquete
Schema specificatie-eis bij getuigenverhoor en contra-enquête in eerste aanleg en in hoger beroep

De wijze van oproepen van getuigen

Art. 170 Rv bevat veel nuttige informatie over de formele eisen die aan het oproepen van getuigen worden gesteld. Daarbij maken we je erop attent dat het antwoordmodel bij open vragen over het getuigenverhoor betrekkelijk vaak verlangt dat je delen van dit artikel integraal in je antwoord overneemt. Misschien voelt het onjuist om hele delen uit de wet over te typen, maar niet zelden scoor je er extra punten mee op je tentamen.

Dat betekent, heel concreet, dat de volgende elementen in je beantwoording moeten terugkeren:

  • De partij die tot het getuigenbewijs is toegelaten geeft de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffie op. (Tip: vergeet niet om “tenminste een week voor het verhoor” expliciet te noemen; het levert je wellicht een extra punt op.)
  • Bij de week wordt de dag van de oproeping en de dag van het verhoor niet meegerekend.
  • In de oproeping moeten dag, uur en plaats van het verhoor vermeld worden.
  • Ook moet worden vermeld op welke feiten het getuigenverhoor betrekking heeft (zie hierboven over het specificatievereiste).
  • De gevolgen van het niet verschijnen ter terechtzitting moeten worden vermeld. Dit zijn: (1) art. 172 Rv, je kunt door de openbare macht (de politie) worden meegenomen; (2) art. 178 Rv, de kosten kunnen op jou worden verhaald; en (3) het is denkbaar dat je aansprakelijk wordt gesteld en een schadevergoeding moet worden betaald. Tip: noem deze alle drie!

Stappenplan bij het oproepen van getuigen

De ervaring leert dat er op de tentamens vaak wordt uitgegaan van een vast stramien bij het oproepen van getuigen. Hiervoor zijn de artikelen 170 t/m 172 Rv relevant en in geen geval art. 173 Rv (waarom dat zo is, leggen we hieronder uit!). Dit vaste stramien wordt met name bij het vak informatie- en bewijsvergaring steevast gehanteerd in de antwoordmodellen bij de open vragen.

1. Art. 170 Rv: exploot of aangetekende brief

Stap 1 is het sturen van een deurwaardersexploot of een aangetekende brief. Die bevat alle voor de oproeping relevante gegevens zoals hierboven besproken (dus tenminste een week van tevoren, dag van oproeping en dag van verhoor niet meegerekend; dag, uur, en plaats van het verhoor; de feiten waarop het verhoor betrekking heeft; de gevolgen van art. 172 en 178 Rv als de getuige niet verschijnt),

2. Art. 171 Rv: exploot, als de aangetekende brief nergens toe heeft geleid

Is er bij stap 1 gekozen voor een aangetekende brief, en de getuige verschijnt niet op de zitting, houdt stap 2 in dat je alsnog een deurwaardersexploot uitbrengt (wederom, met inachtneming van de termijn van een week, opnieuw zonder de dag van oproeping en dag van verhoor mee te rekenen; daarom wordt in art. 171 Rv verwezen naar art. 170 lid 1 Rv).

Is er meteen al gekozen voor een deurwaardersexploot, dan kun je stap 2 overslaan.

3. Art. 172 Rv: voor de rechter brengen met de openbare macht

Heeft ook het exploot geen resultaat en komt de getuige niet opdagen op de zitting, dan kan de rechter bevelen dat de getuige met de openbare macht voor hem wordt gebracht. Dat betekent dat de getuige wordt opgehaald door de politie.

Veel gemaakte fout op tentamen: waarom mag je art. 173 Rv in deze context absoluut niet noemen?

Er zijn tentamens informatie- en bewijsvergaring geweest waar het noemen van art. 173, in antwoord op de vraag “wat gebeurt er als een getuige niet komt opdagen?”, werd afgestraft met aftrek van alle punten. De reden daarvoor is eigenlijk eenvoudig, maar wordt nog steeds door veel advocaat-stagiairs over ‘t hoofd gezien. Zonde. Met deze tentamentip in gedachten voorkom je deze veelgemaakte fout.

In de artikelen 170 t/m 172 Rv wordt steeds uitgegaan van de situatie dat de getuige niet komt opdagen. Art. 173 Rv ziet echter op een fundamenteel verschillende situatie, namelijk: de getuige is al op de zitting aanwezig, maar weigert te verklaren. In die gevallen kan de rechter op verzoek van een der partijen de gijzeling van de getuige gelasten. Dit is dus nadrukkelijk geen correct antwoord op de vraag “Wat moet er gebeuren als een getuige niet op de zitting komt opdagen?”, maar is het juiste antwoord op de vraag “Wat gebeurt er als een getuige reeds op de zitting aanwezig is, maar weigert om één of meer vragen te beantwoorden?”

Wil je meer weten?

Neem contact met ons op als je meer wilt weten over onze bijlessen bij de minor en major burgerlijk recht, en bij het vak informatie- en bewijsvergaring. Je kunt ons mailen op info@llmlegal.nl of bellen met 020-8006135.

Onze bijlessen worden gegeven door specialisten op het gebied van het burgerlijk (proces)recht. De docenten zijn ofwel zelf werkzaam in de advocatuur, of werkzaam als universitair (hoofd)docent.

Doe je voordeel met onze digitale leeromgeving (DLO)!

Neem je deel aan onze bijlessen, dan krijg je toegang tot onze eigen DLO. Deze is te vergelijken met die van de Beroepsopleiding Advocaten maar heeft meer functionaliteit. Zo krijg je meteen uitgebreide inhoudelijke feedback op je gemaakte oefententamens (dus niet alleen “je had B moeten kiezen in plaats van A of C”). En we stellen o.a. een uitgebreid uittreksel van de toetstermen ter beschikking, met een toelichting per toetsterm. Hieraan zijn geen aanvullende kosten verbonden.[/vc_column_text][/vc_column][/vc_row]

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print