De twee gezichten van verjaring

Verkrijgende en bevrijdende verjaring

Zoals uit de titel van deze blog reeds blijkt, heeft verjaring twee “gezichten”. Onderscheiden moet worden tussen enerzijds de acquisitieve (verkrijgende) verjaring van goederen, en anderzijds de zgn. extinctieve (bevrijdende of vernietigende) verjaring van rechtsvorderingen. Hoe verschillend de twee verschijningsvormen van verjaring qua inhoud en strekking ook mogen zijn, bestaan er ook enkele dwarsverbanden tussen beide soorten verjaring. Vertrekkend vanuit het (goederenrechtelijke) leerstuk van de verkrijgende verjaring, moet met betrekking tot die dwarsverbanden thans reeds voor de duidelijkheid worden opgemerkt dat verkrijgende verjaring van enkel een rechtsvordering niet bestaanbaar is, reeds omdat het uit kracht van art. 3:304 BW nu eenmaal niet mogelijk is om een rechtsvordering te scheiden van het recht tot bescherming waarvan zij dient.

Verkrijgende verjaring en bezit

Verkrijgende verjaring (art. 3:99 – 3:106 BW) is een van de (talrijke) wijzen waarop een goed kan worden verkregen (of verloren), dit naast o.m. overdracht, natrekking, erfopvolging, zaaksvorming, etc. Met de verkrijgende verjaring wordt tegengegaan dat er in het rechtsverkeer goederen bestaan waarvan het niet duidelijk is wie daarop recht kan doen gelden. De rechtszekerheid is er daarom mee gediend dat een feitelijke situatie na verloop van tijd “uitgroeit” tot de juridische situatie, met andere woorden dat recht en feiten met elkaar in overeenstemming worden gebracht.

In dat verband heeft de wetgever het bezit van een goed van een bepaalde duur tot feitelijk uitgangspunt van de verkrijgende verjaring genomen (art. 3:99 lid 1 BW). Als vereiste voor verkrijgende verjaring van roerende zaken (niet registergoederen) geldt dat sprake is van bezit van de zaak gedurende een duur van drie jaren. Bij andere goederen is die termijn tien jaar. De termijn begint steeds te lopen op de dag na de bezitsverkrijging (art. 3:101 BW). Voorts moet er sprake zijn van een onafgebroken bezit, omdat bezitsverlies in beginsel leidt tot stuiting van de lopende verjaring. Als het bezit dan naderhand wordt herkregen, levert dat niet meer op dan het begin van een nieuwe verjaring.

Maar op dat laatste bestaat wel een uitzondering, en wel in geval van onvrijwillig bezitsverlies. Onvrijwillig bezitsverlies stuit namelijk een lopende verjaring niet, maar daarvoor geldt weer wél de eis dat het bezit binnen het jaar wordt teruggekregen of binnen het jaar een rechtsvordering wordt ingesteld die leidt tot terugverkrijging van het bezit (art. 3:103 BW).

Verdere vereisten, goede trouw

Het bezit moet te goeder trouw zijn, wil er sprake zijn van verkrijgende verjaring. Of er sprake is van goede trouw, moet worden beoordeeld op de voet van art. 3:118 BW jo art. 3:11 BW. In lid 1 van art. 3:118 BW is neergelegd dat een bezitter te goeder trouw is wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Die goede trouw wordt blijkens art. 3:118 lid 3 BW vermoed aanwezig te zijn, terwijl het ontbreken van goede trouw volgens dat artikel moet worden bewezen.

Dat leidt er in de rechtspraktijk vaak toe dat een bezitter zich beperkt tot de blote stelling dat hij te goeder trouw is, en vervolgens comfortabel afwacht wat zijn wederpartij aanvoert ten bewijze van diens stelling dat goede trouw ontbreekt. In dat verband is evenwel een waarschuwing op zijn plaats. Het (weerlegbare) wettelijk vermoeden van art. 3:118 lid 3 BW dat goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn, geldt alléén voor het bezit te goeder trouw, en niet voor de goede trouw in het algemeen. Waar het in de rechtspraktijk regelmatig voorkomt dat aan het vermoeden van lid 3 een (zeer) brede werking wordt gegeven, is dat daarom onjuist.

Een in het vermogensrecht algemeen geldend adagium met betrekking tot het wettelijk vermoeden van goede trouw, bestaat niet en mag dus niet in art. 3:118 lid 3 BW worden ingelezen. Wie zich buiten het rechtsgebied van het bezit baseert op zijn goede trouw, zal in beginsel op de voet van art. 3:11 BW moeten stellen en zo nodig bewijzen op welke feiten of omstandigheden die goede trouw berust (in het kort: het (niet) weten of behoren te weten, de onderzoeksplicht en de afwezigheid van twijfel). 

Het verband tussen de verkrijgende en de bevrijdende verjaring

Degene die stelt rechthebbende op een goed te zijn, kan gedurende de looptijd van de verjaring een rechtsvordering instellen om het bezit van de wederpartij te beëindigen (zie art. 5:2 BW voor de revindicatie van zaken, en overigens art. 3:296 e.v. BW). Deze rechtsvordering staat evenwel bloot aan bevrijdende verjaring, en wel na het verstrijken van een termijn van 20 jaar nadat het bezit door een daartoe niet gerechtigde is verkregen (art. 3:314 lid 2 BW jo 3:306 BW).

Wanneer deze verjaring is voltooid, brengt dat van rechtswege met zich dat bij degene die het goed op dat moment bezit, steeds sprake is van verkrijgende verjaring (art. 3:105 BW). Daarvoor is dan alléén bezit vereist, ongeacht goede of kwade trouw, en ongedacht de duur van dat bezit. Op deze wijze voorkomt de wetgever de situatie waarin niemand kan worden aangemerkt als de rechthebbende. Zonder een bepaling als deze zou de ware rechthebbende immers als gevolg van de bevrijdende verjaring geen rechtshandelingen met betrekking tot het goed meer kunnen verrichten, terwijl de bezitter zich daarvan geen rechthebbende zou kunnen noemen omdat diens goede trouw ontbreekt.

De optelling van verjaringstermijnen; stuiting en verlenging

Art. 3:102 BW maakt het mogelijk om bij het verwerven van bezit dat wordt verkregen van iemand ten gunste van wie op dat moment reeds een verjaringstermijn loopt, die reeds verstreken termijn op te tellen bij de eigen verjaringstermijn (art. 3:102 BW). Wel wordt daarbij de eis gesteld dat de opvolgend bezitter te goeder trouw is. Daaraan is steeds voldaan bij verkrijging van het bezit onder algemene titel (erfopvolging, boedelmenging etc). Immers treedt in dat geval de opvolger volledig in het bezit van de voorganger (art. 3:116 BW) terwijl van een lopende verjaring enkel sprake kan zijn indien de voorganger bezitter te goeder trouw was.

Tot besluit: ook art. 3:104 BW bevat nog een dwarsverband tussen bevrijdende en verkrijgende verjaring. Het is uiteraard mogelijk om de bevrijdende verjaring te stuiten (art. 3:316-319 BW, of verlengen, zie art. 3:320-321 BW). Is er sprake van de stuiting of verlenging van de bevrijdende verjaring, dan vindt een overeenkomstige stuiting of verlenging van de verkrijgende verjaring plaats.

Beroepsopleiding Advocaten

Volg je de Beroepsopleiding Advocaten? Neem dan contact met ons op voor een training bij ons. Je kunt les volgen bij een van de repetitoren die bij ons aangesloten zijn, op de Zuidas of elders in Nederland.

Binnenkort beginnen wij o.a. met de vakken major burgerlijk recht, jaarrekeninglezen en informatie- en bewijsvergaring. Neem contact op via 020-8006135 of stuur een bericht naar info@llmlegal.nl voor meer informatie en om je aan te melden.

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print