De Peeters/Gatzen-vordering

Een Peeters/Gatzen-vordering is een vordering die wordt ingesteld door de faillissementscurator. De curator stelt de vordering in ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De vordering houdt in dat de gezamenlijke schuldeisers zijn benadeeld. En kenmerkend voor de Peeters/Gatzen-vordering is dat de vordering wordt ingesteld tegen een derde die bij de benadeling betrokken is. De vordering houdt in dat deze derde, door middel van zijn betrokkenheid, onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers.

Kort en systematisch weergegeven:

  • de failliet benadeelt de gezamenlijke schuldeisers;
  • daarbij is een derde betrokken;
  • met de Peeters/Gatzen-vordering ‘pakt’ de curator rechtstreeks die derde, en wel op onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Casus Peeters/Gatzen-arrest

HR 14 januari 1983, NJ 1983, 597; ECLI:NL:PHR:1983:AG4521

Het Peeters/Gatzen-arrest dateert van 1984. Vanaf dat moment is er het nodige veranderd en is er bovendien het nodige aan jurisprudentie bij gekomen, waarmee de regels uit het Peeters/Gatzen-arrest nader worden afgebakend.

De heer van Rooij is onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met mevrouw Gatzen. Van Rooij verkoopt en levert de echtelijke woning, die hij in eigendom heeft, via een tussenpersoon aan zijn echtgenote Gatzen voor een veel te lage prijs. Vervolgens gaat hij failliet.

In dit faillissement van Van Rooij vordert de curator een verklaring voor recht dat Gatzen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Van Rooij onrechtmatig heeft gehandeld. Hij wil natuurlijk dat Gatzen het verschil tussen enerzijds de echte waarde van het huis, en anderzijds het veel te lage bedrag dat er betaald is, netjes aan hem afdraagt.

Gatzen had vóór het faillissement een schuld aan Van Rooij betaald, en wil dat bedrag nu verrekenen met wat zij aan de curator verschuldigd zou zijn.

De Hoge Raad over de Peeters/Gatzen-vordering

De Hoge Raad bepaalde in Peeters/Gatzen dat de curator voortaan inderdaad bevoegd is

  • om een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen (art. 6:162 BW),
  • tegen een derde die bij de benadeling van de gezamenlijke schuldeisers betrokken is,
  • ook al komt een dergelijke vordering niet aan de gefailleerde zélf toe.

Dat houdt, concreet, het volgende in. Gatzen is schuldeiser van de gefailleerde (want zij had een schuld aan Van Rooij betaald). Maar Gatzen is schuldenaar van de gezamenlijke schuldeisers en niet van de gefailleerde zelf. Immers: de curator spant de Peeters/Gatzen-vordering weliswaar aan, maar het gaat om een vordering (uit onrechtmatige daad) die de gezamenlijke schuldeisers op haar hebben. Het gaat niet om een vordering van de failliet zélf.

Daarmee wordt dan meteen het probleem opgelost dat Gatzen hier zou mogen verrekenen. Art. 53 Fw zegt immers:

Hij die zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde is, kan zijn schuld met zijn vordering op de gefailleerde verrekenen, indien beide zijn ontstaan vóór de faillietverklaring of voortvloeien uit handelingen, vóór de faillietverklaring met de gefailleerde verricht.

De crux zit in de eerste volzin van art. 53 Fw. Hier is namelijk niet voldaan aan dit vereiste, want Gatzen is niet zowel schuldenaar als schuldeiser van de gefailleerde. Zij is wel schuldeiser van de gefailleerde, maar niet zijn schuldenaar. Zij is immers de schuldenaar van de gezamenlijke schuldeisers, en niet van de gefailleerde zelf. En dus voldoet zij niet aan de vereisten in art. 53 Fw om te mogen verrekenen.

HR Lunderstädt/De Kok c.s.: ook individuele schuldeisers kunnen een Peeters/Gatzen-vordering instellen

De regel uit Peeters/Gatzen heeft geleid tot uitvoerig debat in de literatuur. Dit richtte zich vooral op de vraag of in de gevallen waarin de gezamenlijke schuldeisers uitsluitend benadeeld zijn in hun verhaalsmogelijkheden doordat baten aan de boedel zijn onttrokken, slechts aan de curator een vordering op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) toekomt, of dat zo’n vordering ook rechtstreeks door de onrechtmatig benadeelde schuldeiser zélf kan worden ingesteld.

Het antwoord wordt gegeven in het arrest Lunderstädt/De Kok c.s.: ja, ook de onrechtmatig benadeelde schuldeiser zélf kan zo’n vordering uit onrechtmatige daad instellen. Dat betekent dus, dat het sinds dit arrest Lunderstädt/De Kok mogelijk is dat voortaan niet alleen de curator, maar ook de benadeelde schuldeiser zelf, een Peeters/Gatzen-vordering tegen de betrokken derde instelt.

Discussie in de literatuur over Lunderstädt/De Kok c.s.

In het arrest Peeters/Gatzen was het nog de curator die de vordering uit onrechtmatige daad instelde. Men zou kunnen redeneren dat, indien een van de schuldeiser zélf een Peeters/Gatzen-vordering instelt, daarmee de paritas creditorum zou kunnen worden doorbroken.

De Hoge Raad ziet dat echter anders. Bovendien, redeneert de Hoge Raad: stel dat het de schuldeiser niet zou vrijstaan om een Peeters/Gatzen-vordering tegen een betrokken derde in te stellen. Dat zou, aldus de Hoge Raad, in feite neerkomen op ‘broodroof’. De Hoge Raad acht dat namelijk in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Daar staat:

Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

In feite zou je daarmee een schuldeiser van zijn eigendom beroven, is hier de redenering. De tweede alinea van dit art. 1 Eerste Protocol EVRM laat dit nog wel toe in het geval dat de staat de wet moet toepassen, als hij dat noodzakelijk oordeelt “om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.”

De Hoge Raad geeft echter aan dat daarvoor nergens in de Faillissementswet, en overigens ook nergens anders, een wettelijk aanknopingspunt kan worden gevonden. Met als enige uitzondering: een vordering op grond van actio Pauliana. Dat staat namelijk in art. 49 lid 1 Fw:

Rechtsvorderingen, gegrond op de bepalingen der artikelen 42-48, worden ingesteld door de curator.

De Hoge Raad zegt dan vervolgens ook dat een vordering ex art. 3:45 BW (dus de algemene Pauliana van boek 3 BW in plaats van de faillissementspauliana van art. 42 Fw e.v.) daaronder moet worden begrepen. Dus, kortom: waar het gaat om Pauliana mag de curator inderdaad wel ‘exclusief’ optreden zonder dat de schuldeisers dat ook individueel – en los van de curator – zouden mogen. Voor het overige mogen de schuldeisers gewoon vorderen ‘wat zij willen’ en ‘van wie zij willen’ op grond van art. 6:162 BW. Zou dat anders zijn, dan zou dat in strijd komen met art. 1 Eerste Protocol EVRM.

Tot slot, en terzijde, merkt de Hoge Raad nog het volgende op. Stel dat zowel de curator als ook een individuele schuldeiser, los van elkaar, dezelfde Peeters/Gatzen-vordering zouden instellen tegen dezelfde betrokken derde. In dat geval kan het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement meebrengen dat eerst op de vordering van de curator wordt beslist, en daarna pas op de vordering van de individuele schuldeiser.

HR De Bont/Bannenberg: de Peeters/Gatzen-vordering moet ten behoeve van alle gezamenlijke schuldeisers zijn, en niet een select groepje daarvan

De Peeters/Gatzen-vordering moet ten behoeve van alle gezamenlijke schuldeisers worden ingesteld. Het is niet toegelaten om deze in te stellen ten behoeve van slechts een select groepje daarvan. Dat heeft de Hoge Raad bepaald in haar arrest De Bont/Bannenberg.

Art. 68 lid 1 Fw normeert de rol van de faillissementscurator als volgt:

De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel.

De Hoge Raad wijst erop dat de curator die bevoegdheid uitoefent in eigen naam, en ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. En ‘ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers’ betekent ook echt: de ‘gezamenlijke’ schuldeisers (dus: generiek, en niet specifiek). Daarmee is al uitgesloten dat het zou mogen gaan om een klein, select groepje daarvan. Daarmee zou je als curator namelijk niet generiek te werk gaan, maar specifiek, en dat mag niet.

Het behartigen van de belangen van slechts een specifieke groep schuldeisers valt daarmee buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw aan de curator gegeven opdracht. Ook is op geen enkele andere plaats een grondslag te vinden voor zulke specifieke schuldeisersbenadeling.

Het criterium in De Bont/Bannenberg wordt verder aangescherpt in een later arrest Nimox/Van den End q.q. Daar deed zich de situatie voor dat de benadelingshandeling had plaatsgevonden voor het faillissement, waarbij er toen een aantal benadeelden werden getroffen. Die werden allen netjes terugbetaald zodat zij geen vordering meer hadden. Naderhand echter, kwamen er – als gevolg van diezelfde benadelingshandeling – nieuwe schuldeisers die dus pas later nadeel opliepen van diezelfde handeling. Intussen was er een faillissement ontstaan.

In een dergelijke situatie, zo bepaalt de Hoge Raad in Nimox/Van den End q.q., is er gewoon sprake van ‘benadeling van de gezamenlijke schuldeisers’ en is de curator dus bevoegd om een Peeters/Gatzen-vordering in te stellen.

HR De Bont/Bannenberg: de Peeters/Gatzen-vordering valt als zodanig niet in de boedel, maar de opbrengst valt wel in de boedel

De Peeters/Gatzen-vordering komt toe aan de gezamenlijke schuldeisers, omdat die is gegrond op de benadeling in hun verhaalsmogelijkheden als gevolg van het handelen van de failliet (en de betrokken derde). De opbrengst van de Peeters/Gatzen-vordering valt in de boedel.

De wettelijke opdracht aan de curator tot beheer en vereffening van de failliete boedel (art. 68 lid 1 Fw) brengt mee dat hij deze vordering ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers kan innen, en dat hij dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen.

Maar: aangezien de vordering zelf niet in de boedel valt, omvat de bevoegdheid van de curator om de vordering te innen niet tevens de bevoegdheid om over de vordering te beschikken door haar aan een derde over te dragen.

Wil de curator dat toch kunnen doen, dan heeft hij last, toestemming of volmacht van de gezamenlijke schuldeisers nodig. Dat volgt uit weer een andere uitspraak van de Hoge Raad waarin het criterium verder wordt aangescherpt, namelijk Dekker q.q./Lutece.

De Peeters/Gatzen-vordering in concernverband

De Peeters/Gatzen-vordering kan ook bij aansprakelijkheid in concernverband relevant zijn. Een moedervennootschap kan op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens de schuldeisers van haar dochter (doorbraak van aansprakelijkheid).

We zetten hieronder een paar omstandigheden op een rij die kunnen leiden tot een doorbraak van aansprakelijkheid, met verwijzing naar enkele arresten waarin deze omstandigheden naar voren kwamen.

  • Het wekken van schijn van kredietwaardigheid.

    Met het voortzetten van verliesgevende activiteiten kan ook de schijn van kredietwaardigheid worden gewekt.
    Zie het Osby-arrest, HR 25 september 1981, ECLI:NL:PHR:1981:AG4232.
  • Het voortzetten van verliesgevende activiteiten.

    Hier is ook sprake van wanneer een moeder aansprakelijk wegens het schenden van haar zorgplicht is omdat zij als houdstermaatschappij en bestuurder van haar dochters een concernstructuur heeft opgezet met inherente risico’s voor de crediteuren van de failliet en zij die crediteuren daar niet voor die risico’s gewaarschuwd heeft maar er voor kiest om verliesgevende activiteiten voort te zetten.
    Zie Albada/Jelgersma, HR 19-02-1988, ECLI:NL:PHR:1988:AG5761, en het Comsys-arrest, HR 11-09-2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033.
  • Selectieve betaling.

    Van selectieve betaling is sprake wanneer een schuldeiser wordt voldaan met voorrang boven andere schuldeisers in het zich van faillissement.
  • Ongeoorloofde vermogensonttrekking.

    Een besluit van een moeder tot een dividenduitkering die praktisch alle reserves van de dochter doet verdwijnen, en waarbij de moeder die vordering op de dochter aan een derde overdraagt is een vorm van ongeoorloofde vermogens onttrekking.

    Zie Coral/Stalt, HR 12-06-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2669, en Nimox/Van den End q.q., HR 08-11-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401.
  • Misbruik van identiteitsverschil.

    Uit dit alles vallen twee belangrijke twee belangrijke elementen te destilleren die steeds terugkomen. Er moet wetenschap van benadeling zijn en benadeling had voorkomen kunnen worden. Bij wetenschap van benadeling is het van belang in welke mate de moeder inzicht en zeggenschap heeft over het beleid van haar dochter. Wanneer vast komt te staan dat de moeder zich intensief en indringend met het beleid van haar dochter heeft bemoeid, kan wetenschap van benadeling bij de dochter worden toegerekend aan de moeder. Wanneer de moeder wetenschap heeft van benadeling moet zij de nodige maatregelen nemen om verdere benadeling te voorkomen. Ze moet hier echter wel toe in staat zijn.

    Bij faillissement van een dochter zal de curator dus onderzoeken of hij een Peeters/Gatzen-vordering kan instellen tegen de moeder. Daarvoor zal hij eerst moeten onderzoeken of de moeder op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens de schuldeisers van haar (failliete) dochter. Als de moeder onrechtmatig gehandeld blijkt te hebben moet de curator beoordelen of het belang van de gezamenlijke schuldeisers in het geding is. Hij mag, zoals eerder gezegd, namelijk alleen opkomen voor het belang van alle schuldeisers, en niet voor de belangen van een groep schuldeisers. Als ook het belang van de gezamenlijke schuldeisers in het geding is, heeft de curator de bevoegdheid om een Peeters/Gatzen-vordering in te stellen tegen de moeder.
  • Het niet-nakomen van toezeggingen.

Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print