Conservatoir beslag (Rv): eisen

In deze bijdrage wordt ingegaan op de eisen die worden gesteld aan een conservatoir beslagrekest. De eisen staan verspreid over een aantal plaatsen: (1) de algemene bepalingen vanaf art. 700 t/m 710a Rv, (2) specifieke bepalingen per ‘soort’ conservatief beslag, (3) de eisen die aan een verzoek worden gesteld in art. 278 Rv, een aantal andere vindplaatsen zoals art. 21 Rv en natuurlijk de jurisprudentie. Het doel van deze bijdrage is om de geldende regels kort en overzichtelijk op een rij te zetten.

De Rechtspraak publiceert op rechtspraak.nl een Beslagsyllabus. Deze wordt normaal gesproken minstens tweemaal per jaar bijgewerkt. De Beslagsyllabus is een nuttig naslagwerk om een volledig en uitgebreid overzicht van de geldende regels te krijgen.

Deze bijdrage beoogt niet het conservatoir beslagrecht in extenso te behandelen. Daarvoor is de materie veel te uitgebreid. Deze bijdrage kan wel helpen om de Beslagsyllabus beter te begrijpen en in de juiste context te plaatsen.

Executoriaal en conservatoir beslag: de verschillen en overeenkomsten

Het leggen van zowel executoriaal beslag als conservatoir beslag strekt in de meeste gevallen tot verzekering van een geldsom. Het leggen van beslag zonder dat daarbij een geldsom wordt gevorderd, zal over het algemeen weinig zin hebben. Uitzonderingen daarop zijn:

  1. beslag tot afgifte van een roerende zaak, of tot levering van goederen die met een akte geleverd moeten worden (art. 730 t/m 737 Rv);
  2. conservatoir bewijsbeslag (de exhibitieplicht van art. 843a Rv; het bewijsbeslag in IE-zaken van art. 1019b t/m 1019d Rv).

Executoriaal beslag levert over het algemeen weinig risico op omdat je al beschikt over een executoriale titel (vonnis). Waar je daarbij wel op moet letten, is het leggen van executoriaal beslag na in eerste aanleg een titel te hebben verkregen terwijl voor de wederpartij de termijn om in hoger beroep te gaan nog loopt (de termijnen voor hoger beroep staan in art. 339 Rv).

Wat is conservatoir beslag?

Conservatoir beslag staat in boek 3 Rv, in de vierde titel. Die luidt “Van middelen tot bewaring van zijn recht.” Dat brengt mee dat conservatoir beslag een middel is om je recht te bewaren c.q. behouden. Het woord stamt af van het Latijnse werkwoord ‘conservare’ dat ‘behouden’ betekent. Conservatoir beslag is daarmee beslag op goederen zodat die worden ‘behouden’ in afwachting van een rechterlijke uitspraak die op dat goed ziet, en waarin bepaald wordt wat er verder mee dient te gebeuren.

Conservatoir beslag ‘ex parte’

Conservatoir beslag wordt gelegd na verlof van de voorzieningenrechter. Om dit verlof te krijgen, moet bij de voorzieningenrechter een beslagrekest worden ingediend. Deze procedure vindt plaats ‘ex parte’. Dat wil zeggen: de beslissing wordt genomen enkel na toetsing van het beslagrekest van de verzoeker, en zonder dat de gerekwestreerde eerst wordt gehoord.

Er wordt beslist ‘na summier onderzoek’. Dat staat in de tweede volzin van art. 700 lid 2 Rv:

De voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek.

Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt dat ‘summier onderzoek’ meebrengt dat de voorzieningenrechter

in de regel op de mededelingen van de verzoeker en de door deze overhandigde stukken mag afgaan.

(Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw, p. 310).

Strikt genomen lijkt dat in strijd met het vereiste van art. 19 Rv en 6 EVRM van hoor en wederhoor. Deze bijzondere regeling is echter noodzakelijk, juist vanwege het specifieke karakter van conservatoir beslag. Zoals hierboven aangegeven, is het immers bedoeld om goederen te ‘behouden’. In een aantal gevallen moet ‘gegronde vrees voor verduistering’ aannemelijk worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld bij beslag onder de schuldenaar op roerende zaken (art. 711 Rv). Al met al is er een regeling nodig om snel, in afwachting van de hoofdzaak, een goed veilig te kunnen stellen. Het oproepen van de wederpartij zou daarbij roet in het eten kunnen gooien.

De Hoge Raad merkt in rov. 3.3 van haar arrest De Ruiterij/MBO van 14 juni 1996 op dat

een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de hoofdzaak wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering voor de door het beslag ontstane schade zal kunnen worden aangesproken.

Waar het in wezen op neerkomt, is dat een schuldeiser vrij eenvoudig verlof kan krijgen om beslag te leggen.

Wel zal de voorzieningenrechter, ook al slechts sprake van summier onderzoek, de belangen van de beslaglegger en de beslagene zo goed mogelijk moeten afwegen. Zeker omdat de procedure ex parte plaatsvindt, zal de beslaglegger de rechter daarom transparant moeten informeren. Daarbij mag hij niet zijn waarheidsplicht van art. 21 Rv schenden. Dat is een belangrijk uitgangspunt bij conservatoir beslag waar ik hieronder nader op inga.

Blijkt het beslag achteraf ten onrechte te zijn gelegd, is hij aansprakelijk voor de daarvoor veroorzaakte schade. Daarnaast kan in kortgeding om opheffing van het beslag worden gevraagd (art. 705 Rv) indien er sprake is van vexatoir beslag. ‘Vexatoir’ komt van het Latijnse ‘vexare’, dat ‘kwellen’ betekent. Vexatoir beslag is in wezen dus beslag waarmee de wederpartij op onrechtmatige wijze wordt ‘gekweld’. Dit resulteert in aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, art. 6:162 BW.

Vooraf wordt er dus summier getoetst. Is er iets ‘aan de hand’ (is het beslag bijvoorbeeld vexatoir geweest), dan kan dit achteraf alsnog worden gladgestreken door opheffing van het beslag en/of een vordering uit onrechtmatige daad. Op die manier kan deze regeling toch nog worden gerechtvaardigd, ondanks het ex parte-karakter daarvan.

Conservatoir beslag: eisen

Het conservatoir beslag is geregeld vanaf art. 700 Rv. Omdat er verschillende soorten conservatoir beslag bestaan, wordt een deel geregeld in de algemene bepalingen (boek 3, titel 4, afdeling 1 Rv). Dit zijn de artikelen 700 t/m 710a Rv. In dat deel worden de eisen genoemd die gelden voor alle soorten conservatoir beslag. Per verschillende soort conservatoir beslag worden er daarnaast specifieke eisen gesteld. Die zijn per soort geregeld in afzonderlijke afdelingen.

Hieronder ga ik in op de ‘algemene’ eisen die gelden voor alle soorten conservatoir beslag.

1. De eisen van art. 278 Rv

Beslag, en dus ook conservatoir beslag, wordt gelegd bij verzoekschrift. Dit verzoekschrift wordt het beslagrekest genoemd. Dat beslag wordt gelegd bij verzoekschrift, staat in de eerste zin van art. 700 lid 2 Rv:

Het verlof wordt verzocht bij een verzoekschrift […]

Nu er sprake is van een verzoekschriftprocedure, worden daaraan de eisen gesteld die in art. 278 Rv zijn vermeld:

Lid 1:
Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of de reden waarom deze vermelding niet mogelijk is.
Lid 2:
Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend. Indien de voorzieningenrechter daarop moet beschikken, kan het aan deze ter hand worden gesteld.
Lid 3:
Tenzij indiening bij de kantonrechter plaatsvindt of ingevolge bijzondere wettelijke bepaling niet door een advocaat behoeft te geschieden, wordt het verzoekschrift ondertekend door een advocaat. Het kantoor van die advocaat geldt als gekozen woonplaats van de verzoeker.
Lid 4:
De griffier tekent de dag van indiening of de dag van terhandstelling aan de voorzieningenrechter op het verzoekschrift aan.

Hieruit kunnen we de volgende eisen destilleren:

  1. NAW-gegevens van verzoeker;
  2. Omschrijving van het verzoek;
  3. Omschrijving van de gronden waar het verzoek op berust;
  4. Ondertekening door een advocaat (tenzij er geen advocaat betrokken is);
  5. Dagtekening (dit gebeurt door de griffier).

2. De waarheidsplicht van art. 21 Rv

Verder gelden natuurlijk de basisbeginselen van het burgerlijk procesrecht ook hier. In het bijzonder is de waarheidsplicht art. 21 Rv van belang:

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Het is zeker van belang om hierop goed te letten als er nog andere procedures lopen, of hebben gelopen, die relevant zouden kunnen zijn om de zaak goed te beoordelen.

Zo heeft het Hof Amsterdam op 10 januari 2012 uitspraak gedaan in een zaak waar de verzoeker had verzuimd om melding te maken van een aantal procedures bij rechters in het buitenland die betrekking hadden op hetzelfde geschil. Het ging, kort gezegd, om een drietal vonnissen van een Russische rechter. Het Hof oordeelde dat het achterhouden van deze relevante informatie in strijd kwam met ar. 21 Rv, zodat het beslagrekest alleen al om die reden moest worden afgewezen.

In rov. 2.6 oordeelt het Hof dat dit temeer geldt voor een beslagrekest vanwege het ex parte-karakter daarvan. Dat wil zeggen: enkel na toetsing van het beslagrekest van de verzoeker, en zonder dat de gerekwestreerde eerst wordt gehoord.

De verplichting de rechter juist en volledig te informeren geldt ook voor een beslagverzoek als bedoeld in artikel 700 Rv en klemt in dat geval des te meer aangezien toewijzing van zodanig verzoek tot voor de wederpartij/beslagene zeer ingrijpende gevolgen kan leiden en de rechter na slechts summier onderzoek een beslissing ex parte geeft.

Onder ‘andere procedures die relevant zouden kunnen zijn om de zaak goed te beoordelen’ vallen ook eerder ingediende beslagrekesten bij dezelfde of een andere rechtbank. Het onvermeld laten daarvan, kan in strijd komen met de beginselen van goede procesorde.

Daarover heeft het Hof Amsterdam zich uitgelaten in een uitspraak van 22 november 2011. Daar had de verzoeker een beslagrekest ingediend bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem om conservatoir beslag te leggen op een aantal vermogensbestanddelen van zijn wederpartij. Daarbij kwam al snel aan het licht dat eenzelfde beslagrekest eerder was ingediend bij de voorzieningenrechter in Leeuwarden, dat vervolgens weer was ingetrokken nog voordat de voorzieningenrechter erop had beslist.

Daarover had de verzoeker evenwel niets vermeld in het beslagrekest. De voorzieningenrechter oordeelde daarom dat hij was misleid op een wijze die in strijd was met de goede procesorde, zodat het gevraagde verlof reeds om die reden geweigerd diende te worden. In hoger beroep stelde de verzoeker dat er sprake was van een vergissing die intussen was opgehelderd, maar het Hof maakte daar korte metten mee: de verzoeker had moeten begrijpen dat deze informatie relevant was, en het niet-vermelden daarvan mondt uit in afwijzing van het beslagrekest wegens strijd met de goede procesorde.

3. Vermelding van ‘het door de verzoeker ingeroepen recht’ (art. 700 lid 2 Rv)

Uit de eerste zin van art. 700 lid 2 Rv kan opnieuw een aantal eisen worden gedestilleerd:

Het verlof wordt verzocht bij een verzoekschrift waarin de aard van het te leggen beslag en van het door de verzoeker ingeroepen recht en, zo dit recht een geldvordering is, ook het bedrag of, zo dit nog niet vaststaat, het maximum bedrag daarvan, worden vermeld, onverminderd de bijzondere eisen door de wet gesteld voor een beslag van de soort waarom het gaat.

De eis om ‘de aard van het te leggen beslag’ te vermelden is verder weinig spannend. Het gaat erom dat bijv. wordt vermeld dat het om conservatoir derdenbeslag onder de bank gaat, of conservatoir beslag op een schip.

Bij de eis om ‘het door de verzoeker ingeroepen recht’ te vermelden, komt meer kijken. De Beslagsyllabus bespreekt op p. 9-10 een drietal ‘best practices’ waarmee invulling wordt gegeven aan dit vereiste van art. 700 lid 2 Rv. Daar wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen drie verschillende situaties, waaraan voor elke weer andere eisen gelden:

3.1. Een vordering uit overeenkomst, die specifiek ziet op onbetaalde facturen

Het volgende moet in het beslagrekest worden vermeld indien er sprake is van incasso van onbetaalde facturen:

  1. een summiere omschrijving van geleverde goederen of diensten;
  2. vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor (dit lijkt enigszins op de substantiëringsplicht);
  3. het overleggen van een factuuroverzicht met factuurnummers, data en bedragen;
  4. het overleggen van de aanmaningen (als het er veel zijn: een overzicht van de aanmaningen).

3.2. Een vordering uit overeenkomst, die niet specifiek ziet op onbetaalde facturen

Gaat het om een vordering uit overeenkomst die niet specifiek betrekking heeft op onbetaalde facturen zoals hierboven onder 3.1, moet – conform de ‘best practices’ van de Beslagsyllabus – het volgende worden vermeld in het beslagrekest:

  1. een voldoende feitelijke omschrijving van de vordering en de vordering en de grondslag daarvan;
  2. vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
  3. het overleggen van het contract en de ingebrekestelling (en is er geen contract opgesteld, moet worden uiteengezet wat de mondelinge overeenkomst inhield).

3.3. Een vordering uit onrechtmatige daad of op een andere grondslag

Tot slot onderscheidt de Beslagsyllabus nog een restcategorie. Het gaat daarbij om vorderingen uit onrechtmatige daad of op een andere grondslag (denk aan een andere vorm van buitencontractuele aansprakelijkheid zoals bijv. ongerechtvaardigde verrijking). In die gevallen moet in het beslagrekest worden vermeld:

  1. een omschrijving van de grondslag van de vordering (de Beslagsyllabus geeft onderaan p. 9 het voorbeeld van een vordering uit onrechtmatige daad, waarbij ook moet worden ingegaan op de eisen van toerekenbaarheid, causaliteit en schade);
  2. vermelding van de door de schuldenaar tegen de vordering aangevoerde verweren en de gronden daarvoor;
  3. het overleggen van de relevante bewijsstukken (voor zover noodzakelijk voor een summiere beoordeling).

4. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit bij beslag

De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit worden niet letterlijk als zodanig in Rv vermeld. Dat neemt niet weg dat deze eisen dermate belangrijk zijn dat zij tot uitdrukking moeten komen in het beslagrekest. Zoals de Beslagsyllabus op p. 10 vermeldt, moet in het beslagrekest tot uitdrukking worden gebracht

  1. waarom het beslag nodig is,
  2. waarom is gekozen voor beslag op de in het beslagrekest genoemde goederen, en
  3. waarom niet een minder bezwarend beslagobject mogelijk is.

Proportionaliteit houdt kortweg in: het belang bij leggen van beslag moet in verhouding staan tot de inbreuk die daarmee wordt gemaakt op de beslagene. Voor een verhoudingsgewijs geringe vordering mag bijvoorbeeld niet lukraak worden overgegaan tot het leggen van beslag op verschillende vermogensbestanddelen, zeker niet wanneer die afzonderlijk van elkaar al meer waard zouden zijn dan de vordering waarvoor beslag wordt gelegd.

Subsidiariteit houdt in: het leggen van beslag moet het beste middel zijn om het gewenste resultaat te bereiken. Bovendien moet het beslag op de voor de schuldenaar op de minst bezwarende wijze gebeuren.

Deze twee beginselen worden meestal in één adem genoemd omdat ze logischerwijs nauw met elkaar verweven zijn. Als je beslag legt terwijl je hetzelfde probleem ook had kunnen oplossen op een wat meer ‘subtiele’ manier, die voor de beslagene een minder zware inbreuk oplevert, schend je daarmee al snel zowel het vereiste van proportionaliteit als dat van subsidiariteit.

Hoewel – als gezegd – deze eisen nergens in Rv letterlijk als zodanig worden aangeduid, geeft art. 705 lid 2 Rv daarvoor wel een duidelijk aanknopingspunt. Daarin wordt ‘de onnodigheid van het beslag’ genoemd als een opheffingsgrond voor het beslag in kortgeding:

De opheffing wordt onder meer uitgesproken bij verzuim van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld.

Uit een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem d.d. 2 februari 2011 wordt al duidelijk dat in het beslagrekest de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit tot uitdrukking moeten komen. De rechter moet immers een (zij het: summiere) afweging van de wederzijdse belangen kunnen maken, en moet daartoe in elk geval over voldoende informatie beschikken. Omdat de beslissing – zoals hierboven al gezegd – ex parte wordt genomen (dus zonder dat de wederpartij wordt gehoord), zal deze informatie dus tot uitdrukking moeten komen in het beslagrekest zelf.

Rov. 1.2 van de desbetreffende uitspraak luidt:

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelijk dat voor een vordering (in kort geding) tot opheffing van een beslag geldt, kan ook de beoordeling van een beslagrekest niet geschieden zonder een (summiere) afweging van de wederzijdse belangen (vergelijk Hoge Raad 14 juni 1996, LJN: ZC2105; NJ 1997, 481). De omstandigheid dat de voorgeschreven vormen in acht zijn genomen en summierlijk van de deugdelijkheid van het ingeroepen recht blijkt, betekent nog niet dat het gevraagde verlof ook verleend moet worden. Bij de beoordeling van een beslagrekest zal mede de (on)nodigheid van het verlangde beslag in ogenschouw genomen moeten worden. Ingeval de schuldenaar verhaal biedt en er geen verduistering is te vrezen, kan, na de afweging van de belangen van partijen over en weer, een door een verzoeker beoogd beslag als onnodig worden aangemerkt en het desbetreffende verzoek om die reden worden afgewezen.

5. Eisen per ‘soort’ conservatoir beslag

Vanaf art. 711 Rv worden de verschillende soorten of categorieën conservatoir beslag apart geregeld. Deze regelingen bevatten aanvullende vereisten, die dus worden gesteld bovenop de ‘algemene’ eisen die ik hierboven heb besproken.

Zoals gezegd, zou het voor het doeleind van deze bijdrage te ver voeren om alle eisen hier in extenso te behandelen. Het belangrijkste advies – naast natuurlijk het, bij twijfel, altijd even naslaan van de Beslagsyllabus – luidt hier om de wet zo letterlijk (grammaticaal) mogelijk te lezen. Een voorbeeld daarvan is beslag onder de schuldenaar op roerende zaken, art. 711 t/m 713 Rv. Dat luidt:

Lid 1:
Verlof om conservatoir beslag tot verhaal van een geldvordering te leggen op roerende zaken die geen registergoederen zijn en op rechten aan toonder of order wordt slechts verleend, indien de schuldeiser aantoont dat er gegronde vrees bestaat voor verduistering hetzij door de schuldenaar van zijn goederen hetzij, zo de voor het beslag vatbare goederen aan een ander dan de schuldenaar toebehoren, door deze ander van die goederen.
Lid 2:
De eis van vrees voor verduistering geldt niet wanneer het verlof wordt verleend aan de houder van een wisselbrief, een orderbiljet of cheque, waarvan de non-betaling door protest of een voor de cheque daarmee gelijk te stellen verklaring is vastgesteld, telkens voor hetgeen deze houder te vorderen heeft van de trekker, de acceptant, de avalist en de endossanten. Ook artikel 701 mist in dit geval toepassing.
Lid 3:
De vorige leden zijn mede van toepassing op de goederen bedoeld in artikel 474bb. Het in beslag te nemen goed moet in het in artikel 700, tweede lid, bedoelde verzoekschrift worden omschreven.

In combinatie met de algemene eisen zoals hierboven uiteengezet, mondt dit uit in de volgende eisen die tot uitdrukking moeten komen in het beslagrekest (zie de Beslagsyllabus, p. 29):

  1. de aard van het te leggen beslag.
  2. het ingeroepen recht (de grondslag van de vordering).
  3. het bedrag van de geldvordering of het ingeschatte maximum daarvan.
  4. de vrees voor verduistering en de gronden waar deze vrees op steunt door:
    a. de gerekwestreerde van diens goederen,
    b. een ander dan de gerekwestreerde, als de te beslagen goederen aan die ander toebehoren (zie artikel 708 lid 1 Rv).
    De eis van vrees voor verduistering geldt niet als verlof wordt gevraagd door de houder van een wisselbrief, orderbiljet of cheque, waarvan de nonbetaling is vastgesteld, voor hetgeen de houder van dat waardepapier op grond van dat waardepapier te vorderen heeft (het zogenaamde wisselbeslag); alsdan kan aan het verlof ook niet de voorwaarde van zekerheidstelling worden verbonden (zie artikel 711 lid 2 Rv).
  5. de omschrijving van het in beslag te nemen goed.
  6. de mededeling of de eis in de hoofdzaak al is ingesteld.
  7. het verzoek om begroting van de vordering.

Een ander voorbeeld is derdenbeslag. Dit is geregeld in art. 718 t/m 723 Rv. De praktijk leert dat derdenbeslag vooral onder een bank wordt gelegd.

Wat hier meteen opvalt, is de grote hoeveelheid schakelbepalingen. Men zou kunnen stellen dat het conservatoir beslagrecht, zeker waar het gaat om de specifieke regelingen per ‘soort’ conservatoir beslag, welhaast van schakelbepalingen aan elkaar hangt. Er wordt veelvuldig verwezen naar de regels van executoriaal beslag, die van overeenkomstige toepassing worden verklaard voor conservatoir beslag.

Een goed voorbeeld is art. 720 Rv:

De artikelen 475, derde lid, 475a tot en met 475i, 476a en 476b, 479 en 479a zijn van overeenkomstige toepassing. In het geval van artikel 475a, derde lid, moet de vordering waarop het beslag wordt gelegd in het verzoekschrift waarbij verlof van de voorzieningenrechter wordt gevraagd, uitdrukkelijk worden omschreven. Verlof tot het leggen van beslag op een vordering tot een in artikel 475c vermelde periodieke betaling kan slechts worden verleend, nadat de schuldenaar is gehoord of hij de gelegenheid te worden gehoord, ongebruikt heeft laten voorbijgaan.

Dit is een kwestie van ‘economisch wetgeven’. Als de materie al uitvoerig is geregeld in boek 2, titel 4 Rv in de desbetreffende afdeling over executoriaal beslag, is de redenering dat het weinig zin zou hebben om doublures in de wet te nemen.

Dit heeft evidente voor- en nadelen. Een voordeel is inderdaad dat doublures in de wet worden vermeden. Een nadeel is dat de wet er bepaald niet overzichtelijker, of zelfs maar leesbaarder op wordt. Er zijn veel artikelen zoals art. 720 Rv waarin wij worden ‘getrakteerd’ op een grote en ongedifferentieerde hoeveelheid schakelbepalingen. Dit nadeel wordt wel weer ondervangen met de Beslagsyllabus waar alles overzichtelijk op een rij wordt gezet.

Derdenbescherming te goeder trouw bij conservatoir beslag

Zeker waar het gaat om derdenbescherming te goeder trouw bij conservatoir beslag, blijft het nadeel echter bestaan. De wet is, door alle schakelbepalingen, niet goed leesbaar, en in de Beslagsyllabus wordt niet ingegaan op derdenbescherming te goeder trouw bij conservatoir beslag. Daarom plaatsen wij een apart overzicht online van de geldende regels rond de bescherming van derden te goeder trouw, met een aantal handige ‘ezelsbruggetjes’ om de geldende regels – ook zonder een overzicht paraat te hebben – eenvoudig te kunnen vinden.

Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print