Cheat sheet, stappenplan derdenbescherming bij eigendomsoverdracht roerende zaken

Er zijn meerdere manieren om de eigendom van een goed van de ene persoon op de andere te laten overgaan. Eén van die manieren is eigendomsoverdracht (art. 3:84 BW). ‘Technisch’ is eigendomsoverdracht dus niet hetzelfde als eigendomsovergang. Eigendomsovergang is het overkoepelende leerstuk, en eigendomsoverdracht is één van de manieren waarop dat kan gebeuren. Andere manieren zijn bijvoorbeeld verjaring, zaaksvorming, natrekking, inbezitneming etc. (Soms wordt gesproken van eigendomsverkrijging. Die term is rechtstreeks gerelateerd aan eigendomsovergang: als de eigendom overgaat van persoon A op persoon B, verkrijgt persoon B dus de eigendom.)

Cheat sheet stappenplan derdenbescherming bij eigendomsoverdracht roerende zaken 1

De drie eisen voor eigendomsoverdracht staan in lid 1 van art. 3:84 BW. Het gaat om:

  1. Geldige titel
  2. Levering
  3. Beschikkingsbevoegdheid

Het gaat om cumulatieve eisen. Dat wil zeggen dat aan alle drie moet zijn voldaan, wil er sprake kunnen zijn van een rechtsgeldige eigendomsoverdracht.

Probleemstelling

Cheat sheet stappenplan derdenbescherming bij eigendomsoverdracht roerende zaken 2

We gaan uit van de situatie waar A eigenaar is van een roerende zaak. B verschaft zich het bezit van die roerende zaak. Vervolgens gedraagt hij zich alsof hij de eigenaar is, en draagt hij de zaak in eigendom over aan persoon C.

Er doet zich daarmee een probleem voor waardoor persoon B niet de eigendom van de roerende zaak heeft verkregen van persoon A. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat B een dief is die de zaak van A heeft gestolen of verduisterd. B is dus een dief of verduisteraar, die weliswaar niet de eigendom heeft (want er heeft geen rechtsgeldige eigendomsoverdracht conform 3:84 BW plaatsgevonden), maar wel het bezit (want hij houdt de zaak ten behoeve van zichzelf; zie art. 3:107 lid 1 BW). B is dus beschikkingsonbevoegd.

Hoe weet je nu of A eigenaar is gebleven, of dat C de eigendom heeft verkregen omdat hij zich kan beroepen op derdenbescherming (art. 3:86 BW)?

Stappenplan derdenbescherming bij eigendomsoverdracht van een roerende zaak

De ingewikkelde regeling voor derdenbescherming maakt het behoorlijk lastig om vast te stellen wie eigenaar van een roerende zaak is. Want hoe weet je nu of dat ‘de eerste hand’ is (dus persoon A), of ‘de derde hand’ (dus persoon C) omdat die zich kan beroepen op derdenbescherming tegen de beschikkingsonbevoegdheid van B? (art. 3:86 BW)?

Om dit duidelijk te maken, wordt de regeling aan de hand van de artt. 3:84, 3:86 en 3:87 BW in het onderstaande schema stapsgewijs weergegeven.

Uitgangspunten

M.b.t. de personen:

  • A = de ‘eerste hand’, de (oorspronkelijke) eigenaar
  • B = de beschikkingsonbevoegde ‘tweede hand’ (bijv. een dief, of een bruiklener die verduistering gepleegd heeft)
  • C = de ‘derde hand’ aan wie het bezit van de zaak is verschaft door B.

M.b.t. de zaak:

we beperken ons hier tot de overdracht van een roerende zaak (geen registergoed, dus niet bijv. een teboekgesteld schip) die door bezitsverschaffing aan C is geleverd.

Concreet stappenplan

1.        Verkreeg C de zaak op grond van een geldige titel (bijv. een koopovereenkomst of ruilovereenkomst)?

Ja: verder met stap 2.
Nee: A = eigenaar en kan de zaak gedurende 20 jaar terugvorderen (5:2 jo 3:306 BW).

2.        Verkreeg C ‘anders dan om niet’, met andere woorden heeft C zich verplicht om een tegenprestatie te leveren (zoals bijv. het betalen van de koopsom of het ruilen van een zaak)?

Ja: verder met stap 3.
Nee: A = eigenaar en kan de zaak gedurende 20 jaar terugvorderen (5:2 jo 3:306 BW).

3.        Was C ten tijde van de bezitsverkrijging te goeder trouw ten aanzien van de beschikkingsonbevoegdheid van B? Met andere woorden: wist C niet, en behoefde hij niet te weten dat B onbevoegd was om over de zaak te beschikken? Zie art. 3:11 BW. En als de omstandigheden aanleiding gaven tot het instellen van enig onderzoek naar de beschikkingsonbevoegdheid van B, heeft C dat onderzoek dan ook verricht en ontbrak verder een goede reden tot twijfel?

Ja: verder met stap 4.
Nee: A = eigenaar en kan de zaak gedurende 20 jaar terugvorderen (5:2 jo 3:306 BW).

4.        Kan C desgevraagd gedurende 3 jaar na zijn verkrijging voldoen aan de zgn. wegwijsplicht (art. 3:87 BW)? Met andere woorden: kan C op verzoek van A die gegevens verschaffen die nodig zijn om B terug te vinden, of die C daartoe ten tijde van de verkrijging objectief voldoende mocht achten?

Ja: verder met stap 5.
Nee: A = eigenaar en kan de zaak gedurende 20 jaar terugvorderen (5:2 jo 3:306 BW).

5.        Heeft A het bezit van de zaak door diefstal verloren?

Ja: verder met stap 6.
Nee: C = eigenaar, A kan niet terugvorderen.

6.        Is C een consument die de zaak in een gevestigde winkel heeft gekocht (dus niet bijv. een webshop of marktplaats.nl)?

Ja: C = eigenaar, A kan niet terugvorderen.
Nee: A blijft gedurende 3 jaar na de diefstal eigenaar, en kan de zaak in die periode nog terugvorderen. Na afloop van de termijn van 3 jaar wordt C aangemerkt als de eigenaar (art. 3:86 lid 3 BW).

Mr. T.A. (Tom) Knijp, LLM Legal

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print