Aansprakelijkheid en schadevergoeding in het verkeer (185 WVW)

Art. 185 WVW (Wegenverkeerswet 1994) regelt de bescherming van zwakke verkeersdeelnemers (niet-gemotoriseerd; bijv. voetgangers of fietsers) tegen sterke verkeersdeelnemers (gemotoriseerd; bijv. auto’s, motorfietsen).

Art. 185 lid 1 WVW luidt:

Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, is de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.

Wanneer kun je als gemotoriseerde weggebruiker een beroep doen op overmacht? Hoe werkt de 50%-regel en de 100%-regel? Deze vragen, en meer, worden in deze blog behandeld aan de hand van de belangrijkste jurisprudentie.

Risicoaansprakelijkheid 185 WVW

Art. 185 WVW is een vorm van risicoaansprakelijkheid en is relevant voor het beantwoorden van de vraag of er een verplichting tot schadevergoeding bestaat wegens onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Art. 6:162 lid 1 noemt een aantal vereisten, wil er sprake kunnen zijn van een plicht tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad:

Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

Uit deze wettekst kunnen we vier vereisten destilleren:

  1. Onrechtmatigheid (dit wordt uitgewerkt in lid 2)
  2. Toerekenbaarheid (dit wordt uitgewerkt in lid 3)
  3. Schade
  4. Causaal verband

In aanvulling hierop wijzen we op het (vijfde) vereiste dat in art. 6:163 wordt geregeld, namelijk het relativiteitsvereiste.

Zoals aangegeven, wordt de eis van toerekenbaarheid uitgewerkt in lid 3:

Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Omdat art. 185 WVW gemotoriseerde voertuigen risicoaansprakelijk maakt, is daarmee de vraag naar de toerekenbaarheid in wezen al beantwoord. Wel of geen schuld is in beginsel niet relevant omdat gemotoriseerde weggebruikers het risico dragen op grond van hun risicoaansprakelijkheid, zoals die uit art. 185 WVW volgt.

De vraag naar de (risico)aansprakelijkheid van de dader speelt zich af binnen de vestigingsfase van de onrechtmatige daad, waarin de aanwezigheid van een toerekenbare onrechtmatige daad wordt vastgesteld (‘gevestigd’).

Overmacht en ABP/Winterthur

Stel, een gemotoriseerde weggebruiker rijdt een niet-gemotoriseerde weggebruiker zoals een voetganger aan. Art. 185 lid 1 WVW laat aan het slot de mogelijkheid open voor een beroep op overmacht door de bestuurder. Maar wanneer kan de bestuurder dan een beroep doen op overmacht?

Deze vraag is door de Hoge Raad beantwoord in het arrest ABP/Winterthur (HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527; ECLI:NL:HR:1992:ZC0616). Het blijkt dat aan de bestuurder slechts in uitzonderlijke gevallen een beroep op overmacht toekomt, namelijk:

  1. indien de bestuurder foutloos heeft gereden, of de fout was niet relevant voor het ongeval (afwezigheid van ieder schuldverwijt), of
  2. indien de fouten van het slachtoffer zo onwaarschijnlijk waren dat de bestuurder daarmee geen rekening behoefde te houden bij het bepalen van het eigen weggedrag.

Ook deze vraag naar overmacht speelt zich nog steeds af in de sfeer van de vestigingsfase van de onrechtmatige daad. De vraag of er sprake is van overmacht, is relevant voor het ‘vestigen’ van de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens een toerekenbare onrechtmatige daad.

Eigen schuld (art. 6:101 BW)

Is een eventueel beroep op overmacht afgewezen (wat dus vrij snel gebeurt), dan staat daarmee de aansprakelijkheid van de bestuurder wegens zijn toerekenbare onrechtmatige daad vast. Zijn aansprakelijkheid ex art. 6:162 BW jo 185 WVW is daarmee ‘gevestigd’; hij is risicoaansprakelijk en zijn beroep op overmacht is niet gehonoreerd.

Daarmee verlaten we de vestigingsfase en komen we vervolgens toe aan de omvangsfase. In de omvangsfase wordt de ‘omvang’ van de aansprakelijkheid vastgesteld. De regels van titel 1, afdeling 10 van boek 6 BW (art. 6:95 e.v.) over “wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding” worden nu relevant.

Bij het bepalen van de ‘omvang’ van de aansprakelijkheid wordt in casu het leerstuk van eigen schuld relevant. Er is sprake van eigen schuld wanneer het ongeval mede aan het verkeersverdrag van de voetganger of fietser te wijten is. Er is dan sprake van wederzijdse causaliteit: niet alleen het gedrag van de bestuurder, maar ook het gedrag van het slachtoffer is causaal geweest voor het ontstaan van het ongeval.

Het leerstuk van eigen schuld is wettelijk geregeld in art. 6:101 BW. Voor ons doeleind is nu met name lid 1 relevant:

Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

Het uitgangspunt van het leerstuk van eigen schuld zoals geregeld in art. 6:101 BW is dat het slachtoffer, indien en voor zover diens eigen handelen mede causaal is geweest voor het ontstaan van de schade, in zoverre aanspraak heeft op een evenredig lagere schadevergoeding. Stel dat de onrechtmatige daad voor 80% is toe te rekenen aan het handelen van de dader, maar dat het slachtoffer daar zelf voor 20% aan heeft bijgedragen door bijvoorbeeld onvoorzichtig te zijn. Dan krijgt het slachtoffer dus in beginsel 80% van de schade vergoed en niet de volle 100% vanwege zijn eigen schuld.

Het slot 1 bevat de zgn. billijkheidscorrectie. Die houdt kortweg in dat de billijkheid, vanwege “de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval”, kan meebrengen dat er een andere verdeling wordt gemaakt dan het uitgangspunt van eigen schuld in art. 6:101 BW (zoals hierboven weergegeven) meebrengt. Er worden bij de invulling van de billijkheidscorrectie dus twee factoren meegewogen:

  1. de uiteenlopende ernst van gemaakte fouten;
  2. andere omstandigheden van het geval.

We gaan weer terug naar het hierboven gegeven voorbeeld waar het handelen van de dader voor 80% causaal is geweest voor de onrechtmatige daad, en waar het slachtoffer 20% eigen schuld had. In beginsel zou het slachtoffer dus 80% van zijn schade vergoed kunnen krijgen van de dader. Echter, de billijkheidscorrectie kan een andere verdeling meebrengen. Sterker nog, de billijkheidscorrectie kan meebrengen dat “de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft” (zoals in art. 6:101 lid 1 vermeld wordt).

Dat zou bijvoorbeeld kunnen inhouden dat de dader zichzelf in bijzondere omstandigheden heeft geplaatst waarvan maatschappelijk aanvaard wordt dat op hem daarmee een extra zware verantwoordelijkheid rust om zoveel mogelijk op fouten van anderen te anticiperen, ook als het ‘domme’ fouten zijn, omdat die ‘anderen’ als gevolg van die bijzondere omstandigheden van de dader (waar zij immers zelf op dat moment niet voor hebben gekozen) extra kwetsbaar zijn.

Dat klinkt abstract. Om het daarom zo concreet mogelijk te maken: die ‘bijzondere omstandigheden’ betreffen (onder meer) een auto. Gemotoriseerde weggebruikers kiezen er zelf voor om zich in een auto te verplaatsen. Een auto is inherent gevaarlijk voor anderen die zich niet-gemotoriseerd verplaatsen (zoals voetgangers en fietsers). Maatschappelijk wordt algemeen aanvaard dat daarom op een automobilist een extra zware verantwoordelijkheid rust om ‘ook voor anderen te denken’ en op fouten van niet-gemotoriseerde weggebruikers te anticiperen.

Dat houdt pas op op het moment dat er sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Een automobilist die buiten de bebouwde kom de toegestane maximumsnelheid rijdt, moet er niettemin rekening mee houden dat een fietser die hij passeert bij een kruispunt plotseling kan afslaan zonder richting aan te geven, en zou daarom snelheid moeten minderen uit voorzorg. Blijft hij de maximumsnelheid aanhouden, houdt hij zich weliswaar ‘naar de letter’ aan de regels maar treft hem evengoed een verwijt. Dat zou pas anders kunnen zijn als het gaat om opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Dit zal in de praktijk niet snel gehonoreerd worden (uitzonderingen daargelaten: bijvoorbeeld als er sprake is van een automobilist die belaagd wordt als hij een dreigende situatie ontvlucht; de vraag is echter of het dan niet reeds misgaat in de vestigingsfase bij het bepalen van de onrechtmatigheid van de daad).

De billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW (eigen schuld) met betrekking tot 185 WVW wordt in de jurisprudentie ingevuld met de 50%-regel en de 100%-regel.

De 50%-regel (IZA/Vrerink)

Uit het arrest IZA/Vrerink (HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526) volgt de zgn. 50%-regel. Deze geldt voor personen van 14 jaar en ouder. Ook al is er sprake van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, dan nog dient de automobilist ten minste 50% van de schade te vergoeden op grond van de billijkheidscorrectie. Dat wordt pas anders tenzij er sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.

De 100%-regel (Ingrid Kolkman, Marbeth van Uitregt, Anja Kellenaers)

De 100%-regel geldt indien het slachtoffer een kind is beneden de 14 jaar. In die gevallen is de automobilist altijd volledig voor de gehele schade aansprakelijk. Dit volgt uit het arrest Ingrid Kolkman (HR 1 juni 1990, NJ 1991, 720, ECLI:NL:PHR:1990:AB7631).

Een beroep op overmacht zoals bedoeld in art. 185 lid 1 WVW wordt bij kinderen beneden de 14 jaar niet gehonoreerd, echter ook hier met als uitzondering indien er sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid. Dit volgt uit het arrest Marbeth van Uitregt (HR 31 mei 1991, NJ 1991, 721, ECLI:NL:HR:1991:ZC0253)

In het arrest Anja Kellenaers (HR 24 december 1993, NJ 1995, 236, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196) wordt deze 100%-regel nog eens door de Hoge Raad bevestigd. Wel wordt er in dit arrest nog aan toegevoegd dat er bij het toepassen van de billijkheidscorrectie toch nog acht kan worden geslagen op de specifieke leeftijd van het slachtoffer. Die kanttekening indachtig, vormt het arrest Anja Kellenaers voor het overige in wezen een bevestiging van de 100%-regel zoals bepaald in het arrest Ingrid Kolkman.

Subrogatie en de 50% en 100%-regel

In de praktijk vinden procedures rond aansprakelijkheid ex art. 185 WVW natuurlijk vooral tussen verzekeraars plaats. Nu is het evenwel zo dat de Hoge Raad de billijkheidscorrectie op grond van de 50%-regel en de 100%-regel niet wil toepassen op verzekeraars die middels subrogatie in de rechten van de verzekerde treden (het slachtoffer). Dat betekent, concreet gezegd, dat de 50%-regel en de 100%-regel alleen gelden voor de toe te kennen schadevergoeding aan het slachtoffer persoonlijk. De verzekeraar ‘profiteert’ dus niet van de 50%-regel en de 100%-regel. Overigens wordt niet de gehele billijkheidscorrectie buiten werking gesteld. Die kan gewoon plaatsvinden, maar dan zonder het uitgangspunt van de 50%-regel en de 100%-regel. Dit volgt uit het arrest Marloes de Vos (HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700, ECLI:NL:HR:1995:ZC1740).

Deel dit bericht

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on print